Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Roodmaskerzanger
Roodmaskerzanger | Cardellina rubrifrons
Red-faced Warbler | Reinita carirroja
De roodmaskerzanger is grijs van boven en wit van onderen, met een felrood gezicht, een zwarte kruin en een witte nekvlek. Hij broedt in het naald- en eikenbos van de hooggelegen bergen van Zuidoost-Arizona en Zuidwest-New Mexico en van de Sierra Madre Occidental, en overwintert in Zuid-Mexico en Midden-Amerika.
Geluid
De zang is een heldere reeks van vier tot acht gefloten notities met een opgaand-neergaand slot, ongeveer tsjwiet tsjwiet tsjwiet tsji-tsji-tsjoe, in toon dicht bij die van de gele zanger maar doorgaans langzamer en met meer variatie tussen de strofen. Het mannetje zingt vanaf een tak halverwege de kroon. De roep is een scherp, hoog tsjip, dat bij verstoring van het nest in snelle reeksen wordt herhaald.
Opname: David A. Brinkman — CC BY-NC-SA 4.0 · Pinos Altos, Grant County, New Mexico, United States · xeno-canto
Herkenning
De bovendelen zijn licht blauwgrijs met een witte stuit die bij het opvliegen opvalt; de onderdelen zijn wit. Gezicht, keel en bovenborst zijn helder rood. Kruin en oorstreek zijn zwart en omsluiten het rode gezicht als een kap; op de nek staat een witte vlek. Over de vleugel loopt één smalle witte streep. Man en vrouw zijn gelijk gekleurd, al is het rood bij het vrouwtje gemiddeld iets minder verzadigd; onvolwassen vogels hebben roze tot zalmkleurig rood en een doffer zwart. De staart wordt vaak zijwaarts bewogen.
Verwarringssoorten
Binnen de Verenigde Staten is verwarring vrijwel uitgesloten: geen andere zanger combineert een rood gezicht met een zwarte kruin en een witte nekvlek. De roodbuikzanger is zwart met een rode buik, een grote witte vleugelvlek en witte buitenste staartpennen, en heeft geen rood in het gezicht. De meniezanger (Myioborus miniatus) mist het rood op de kop volledig. In Mexico kan de rode zanger (Cardellina rubra) verwarring geven, maar die is over het hele lichaam rood, met een witte of grijze oorvlek en zonder zwarte kruin.
Leefgebied
Bergbos van den, den-eik en spar-zilverspar tussen ongeveer 2000 en 3000 meter, bij voorkeur op steile hellingen en in ravijnen met esdoorn, populier en een open ondergroei. Het nest ligt op de grond, in een holletje onder een overhangende graspol, een steen of een omgevallen stam. Op trek komt hij lager voor, maar houdt hij zich aan vergelijkbaar bos langs beeklopen. In het winterareaal blijft hij boven ongeveer 1200 meter, in den-eikenbos en bewolkt bergbos, waar hij zich bij gemengde troepen aansluit.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
In de Verenigde Staten broedt hij in de hooggelegen bergen van Zuidoost-Arizona — de Huachuca, Santa Rita, Chiricahua en de White Mountains — en in Zuidwest-New Mexico in de Mogollon-bergen en de Black Range. Van daar loopt het areaal zuidwaarts over de Sierra Madre Occidental door Sonora, Chihuahua, Durango en Sinaloa; daar is hij grotendeels standvogel. De noordelijke broedvogels trekken in augustus en september weg naar Zuid-Mexico, Guatemala, El Salvador en Honduras en keren in april terug.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De beste kans is mei tot juli op de hoge paden van de Huachuca- of Chiricahua-bergen, boven ruwweg 2000 meter, waar hij bij de bovenloop van de canyons zit. Zoek op ooghoogte tot halverwege de kroon, in esdoorn en populier langs het water, en let op de witte stuit: die verraadt hem bij elke korte vlucht ook als de kop afgewend is.
Staat van instandhouding
Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 350.000 vogels en geeft een Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20) van 14 van 20; de soort staat op de gele aandachtslijst, vooral vanwege het kleine areaal, maar geldt bij de IUCN als niet bedreigd (LC). Het aantal in de Verenigde Staten is klein en geconcentreerd in een handvol bergeilanden, waardoor een enkele grote kroonbrand een aanzienlijk deel van het broedgebied kan raken. Houtkap in het bergbos en het verlies van de ondergroei door begrazing verkleinen de nestgelegenheid; in het winterareaal drukt het teruglopen van den-eikenbos op de populatie.
Wetenschappelijke naam
Cardellina rubrifrons | (Giraud, 1841)
Jacob Post Giraud beschreef de soort in 1841 als Muscicapa rubrifrons; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De typelocatie staat in de oorspronkelijke publicatie als Texas, maar dat berust op een fout: het materiaal kwam uit Mexico. Het epitheton is gevormd uit het Latijnse ruber 'rood' en frons 'voorhoofd', dus 'met het rode voorhoofd', waarnaar ook de Engelse en de Nederlandse naam verwijzen. Het geslacht Cardellina werd in 1850 ingevoerd door Charles Lucien Bonaparte, naar het Italiaanse dialectwoord cardella voor de putter.




