Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Wilsons zanger

Wilsons zanger | Cardellina pusilla

Wilson's Warbler | Reinita de Wilson

Wilsons zanger is een van de kleinste Amerikaanse zangers: olijfgroen van boven, geel van onderen, en bij het mannetje met een ronde zwarte pet op de kruin. Hij broedt in wilgen- en elzenstruweel van Alaska tot Newfoundland en zuidwaarts door de westelijke bergen, en overwintert van Mexico tot Panama.

Wilsons zanger (Cardellina pusilla)
Foto: Becky Matsubara — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een snelle, ratelende reeks van tien tot vijftien korte notities die naar het eind toe in toonhoogte zakt en luider wordt, tsji-tsji-tsji-tsjet-tsjet-tsjet. In het westen klinkt de reeks doorgaans sneller en droger dan in het oosten. De roep is een vlak, wat schor tsjimp, met een neusklank die van de heldere tsjip van de meeste verwanten verschilt. Het mannetje zingt vanaf een lage struiktak, zelden hoger dan een paar meter.

Luister: ZangXC1163769

Opname: Andrew McCafferty — CC BY-NC-SA 4.0 · Aylard Farm, Sooke, Capital Regional District, British Columbia, Canada · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, kortvleugelige zanger met een dunne snavel en een naar verhouding lange, smalle staart, die hij vaak omhoog houdt en met korte rukjes beweegt. De bovendelen zijn olijfgroen, de onderdelen en het gezicht helder geel; vleugelstrepen ontbreken en in de staart zit geen wit. Het mannetje draagt een scherp begrensde, glanzend zwarte pet op de voorkruin. Bij het vrouwtje is die pet klein, dof en olijfgroen doorschoten, of geheel afwezig; dan valt op een gaaf geel gezicht vooral het grote donkere oog op. Westelijke vogels zijn helderder geel dan oostelijke.

Verwarrings­soorten

De gele zanger is voller van bouw, heeft gele vlekken in de staart en bij het mannetje kastanjebruine borststrepen; de kruin is nooit zwart. Het vrouwtje van de monnikszanger is groter en heeft grote witte staartvlekken, die bij het spreiden van de staart meteen opvallen. De groene zanger is doffer olijfgroen, met vage streping op de borst en een gebroken oogring. Bij een vrouwtje van Wilsons zanger beslist de combinatie: geen vleugelstrepen, geen wit of geel in de staart, en een egaal geel gezicht met een donker oog.

Leefgebied

Broedt in dicht struweel van wilg, els en berk langs beken, in hoogveen, drassige open plekken en natte bergweiden, in het westen tot boven 3000 meter. Hij mijdt gesloten bos en hoge kronen; het nest staat op de grond in een kuiltje aan de voet van een struik. Op trek gebruikt hij ook droger struweel, boomgaarden en tuinen. In het overwinteringsgebied zit hij van laaglandstruweel en oeverbos tot in bewolkt bergbos en koffieaanplant, meestal in de lage vegetatie.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het broedareaal loopt van West- en Midden-Alaska door heel boreaal Canada tot Newfoundland en Nova Scotia, en in het westen zuidwaarts over de Cascades, de Sierra Nevada en de Rocky Mountains tot Zuid-Californië en Noord-New Mexico. In het oosten van de Verenigde Staten blijft het broeden beperkt tot Noord-Minnesota, Noord-Michigan, Noord-New York en New England. De trek is breed en over de hele breedte van het continent; hij overwintert van Noordwest-Mexico en de Golfhelling zuidwaarts tot Panama, met de grootste aantallen op de Mexicaanse westhelling en in de bergen van Midden-Amerika.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Hij blijft zelden stil zitten: in de struiklaag springt hij van blad naar blad en pikt daarbij insecten weg, met veel staartbewegingen. Zoek daarom naar de beweging in het lage struweel en niet naar een zittende vogel. In het voorjaar is de zwarte pet van het mannetje op afstand al zichtbaar tegen het gele gezicht; in het najaar helpt de schorre tsjimp om hem uit een gemengde zangerstroep te lichten.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 81 miljoen vogels; de soort is daarmee een van de talrijkste Amerikaanse zangers en geldt als niet bedreigd (LC). Toch nam het aantal tussen 1966 en 2019 met ruwweg 60 procent af, bijna twee procent per jaar, en de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20) is 10 van 20. Het verlies van oeverstruweel door waterwinning, begrazing en rivierregulering geldt als de belangrijkste oorzaak, samen met het verdwijnen van laagland- en bergbos in het winterareaal; plaatselijk speelt broedparasitisme door de bruinkopkoevogel mee. De westelijke kustvorm chryseola is het sterkst afgenomen.

Wetenschappelijke naam

Cardellina pusilla | (Wilson, 1811)

Alexander Wilson beschreef de soort in 1811 als Muscicapa pusilla, naar materiaal uit het zuiden van New Jersey; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton pusilla is Latijn voor 'zeer klein'. De Engelse en de Nederlandse naam eren Wilson zelf, naar wie de soort ook lang in het geslacht Wilsonia stond. Het huidige geslacht Cardellina werd in 1850 ingevoerd door Charles Lucien Bonaparte, naar het Italiaanse dialectwoord cardella voor de putter.