Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Canadese zanger

Canadese zanger | Cardellina canadensis

Canada Warbler | Reinita canadiense

De Canadese zanger is een blauwgrijze zanger met gele onderdelen, gele brilstrepen en een halssnoer van zwarte streepjes over de borst. Hij broedt in de vochtige struiklaag van gemengd bos van Zuidoost-Yukon tot de Appalachen en legt daarna een van de langste trekafstanden van de familie af, naar het noordwesten van Zuid-Amerika.

Canadese zanger (Cardellina canadensis)
Foto: lwolfartist — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang begint met een scherpe losse tsjip en gaat over in een snelle, onregelmatige uitbarsting van notities die niet in een vast patroon vallen, ongeveer tsjip — tsjewie-tsjie-dietsjie-tsjoe. Geen twee strofen zijn hetzelfde; het ongeregelde ritme onderscheidt hem van de gelijkmatige reeksen van de meeste verwanten. In de vroege ochtend zingt het mannetje een sneller en variabeler type dan overdag. De roep is een laag, vlak tsjup.

Luister: ZangXC1087236

Opname: Sue Riffe — CC BY-NC-SA 4.0 · Tawas Point State Park, Iosco County, Michigan, United States · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje is blauwgrijs van boven zonder vleugelstrepen en fel geel van kin tot buik, met witte onderstaartdekveren. Over de borst staat een rij zwarte streepjes die als een halssnoer samenkomt; op het voorhoofd staan zwarte streepjes. Rond het oog loopt een witte oogring die naar de snavel toe geel wordt en zo een brilstreep vormt. De poten zijn vleeskleurig. Het vrouwtje en de onvolwassen vogel hebben hetzelfde patroon, maar het halssnoer is grijs en vaag en de kop is grijzer. In de staart zit nooit wit.

Verwarrings­soorten

De magnoliazanger heeft ook gele onderdelen met zwarte streping, maar twee witte vleugelstrepen, een zwart rugpatroon en een witte band dwars door de staart. De nashvillezanger mist het halssnoer en heeft een volledige witte oogring met een gele keel. Het vrouwtje van de rouwkopzanger is olijfgroen zonder streping en zonder gele brilstreep. Beslissend voor de Canadese zanger zijn drie kenmerken samen: geen vleugelstrepen, geen wit in de staart, en gele brilstrepen op een grijze kop.

Leefgebied

Vochtig gemengd en loofbos met een dichte struiklaag en veel mos, meestal dicht bij water: moerasbos, elzen- en wilgenstruweel langs beken, en drassige laagten met omgevallen stammen. In het noordwesten van het areaal gebruikt hij espenbos, in het zuiden de rododendronhellingen van de zuidelijke Appalachen. Het nest staat op of vlak boven de grond, in mos, een wortelkluit of een oeverwal. In het winterareaal zit hij in vochtig bergbos van de Andes, van ongeveer 1000 tot 2000 meter, waar hij bij gemengde troepen aansluit.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Ruim vier vijfde van de broedpopulatie zit in Canada, van Zuidoost-Yukon en Noordoost-Brits-Columbia oostwaarts door het boreale bos tot Nova Scotia. In de Verenigde Staten broedt hij in Noord-Minnesota, Wisconsin, Michigan, New York en New England en verder zuidwaarts in een smalle strook over de Appalachen tot Noord-Georgia. De trek gaat over het oosten van de Verenigde Staten, de Golfkust en Midden-Amerika. Overwinterd wordt op de noordelijke en westelijke flank van de Andes, van Venezuela en Colombia tot Noordwest-Bolivia; binnen dit gidsgebied blijft daarvan alleen Colombia en Venezuela over.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De beste kans is de doortrek in de tweede helft van mei, wanneer het halssnoer op zijn duidelijkst is en hij nog zingt. Hij blijft laag, in de struiklaag onder de zangerstroep, en flikkert daarbij voortdurend met de vleugels — zoek dus onder ooghoogte en niet in de kroon. In het najaar verraadt de gele brilstreep op een verder grijze kop hem ook als het halssnoer vrijwel weg is.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op ongeveer 3 miljoen vogels en noteert een afname van ongeveer 62 procent tussen 1970 en 2014; de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20) is 14 van 20 en de soort staat op de gele aandachtslijst. In Canada is ze onder de federale soortenwet als bedreigd aangemerkt. Als oorzaken worden genoemd: het verdwijnen van de dichte struiklaag door houtkap en door begrazing van hertachtigen, drainage van moerasbos, en ontbossing in het Andesgebied waar de soort overwintert. Bij voortzetting van de huidige daling zou opnieuw de helft van de resterende populatie binnen vijftig jaar verdwijnen.

Wetenschappelijke naam

Cardellina canadensis | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Muscicapa canadensis, naar materiaal uit Canada; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton canadensis betekent 'uit Canada', waarnaar ook de Engelse en de Nederlandse naam verwijzen. Het geslacht Cardellina werd in 1850 ingevoerd door Charles Lucien Bonaparte, naar het Italiaanse dialectwoord cardella voor de putter; de naam betekent dus zoiets als 'kleine putter'.