Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Rotsduif
Rotsduif | Columba livia
Rock Pigeon | Paloma bravía
De rotsduif is de duif van pleinen, bruggen en graansilo's: gedrongen, kortstaartig, met twee zwarte banden over de vleugel en een lichte stuit. De vogels op straat zijn verwilderde tamme duiven, die kolonisten begin zeventiende eeuw naar Noord-Amerika meebrachten en die alle kleuren tonen die het fokken heeft opgeleverd. Nergens op het continent leeft een populatie die niet uit die gevangen vogels is voortgekomen.
Geluid
Het geluid is een zacht, rollend gekoer, oe-roe-koe-koe, dat vooral tijdens het buigen en draaien van het baltsende mannetje klinkt en van dichtbij door de hele duiventil te horen is. Bij het opvliegen klappen de vleugels scherp tegen elkaar, een geluid dat het hele jaar door boven stadspleinen te horen is. Op het nest sissen de vogels naar indringers en de jongen bedelen met een dun, piepend geluid. Anders dan bij de meeste duiven van dit werelddeel is het gekoer geen zang op afstand maar een geluid van dichtbij, bedoeld voor één toehoorder.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Gmina Hańsk (near Wojciechów), włodawski, lubelskie, Poland · xeno-canto
Herkenning
Een compacte duif met een korte, recht afgesneden staart met een donkere eindband, brede vleugels en een snelle, rechte vlucht. Het oorspronkelijke kleed is blauwgrijs met twee zwarte banden over de arm, een witte stuit, een glanzende groen-paarse hals en een oranjerood oog; de snavel is donker met een witte huidknobbel aan de basis en de poten zijn rood. Verwilderde vogels tonen daarnaast witte, roodbruine, zwartige en geblokte kleden, en in één zwerm zitten ze vaak door elkaar. Mannetje en vrouwtje zien er hetzelfde uit; het mannetje glanst iets sterker aan de hals. Jonge vogels zijn doffer en hebben een grijze in plaats van witte snavelknobbel; bij het glijden houdt de soort de vleugels in een duidelijke V omhoog.
Verwarringssoorten
De bandstaartduif van het westen is groter en langer van staart, met een gele snavel met zwarte punt, een witte halve halsband in de nek en een brede bleke band over het staarteind. De witkapduif van Zuid-Florida is donker met een scherp afgetekende witte kruin en mist de vleugelbanden. De roodsnavelduif is egaal donkerpaars zonder vleugeltekening. De Turkse tortel en de treurduif zijn allebei slanker, bleker en veel langer van staart.
Leefgebied
Steden en dorpen, bruggen, viaducten, havens, fabrieksterreinen, graanoverslag en boerenerven vormen het zwaartepunt; overal daar zijn richels om op te nestelen en gemorst graan om van te leven. Plaatselijk bewoont hij ook het soort plek waar hij oorspronkelijk thuishoort: rotswanden, canyonmuren, zeekliffen en groeves, ver van de bebouwing. Gesloten bos en aaneengesloten wildernis mijdt hij volledig. Water in de buurt is welkom, want hij drinkt zuigend met de snavel in het water, iets wat buiten de duiven weinig vogels doen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Kolonisten brachten tamme duiven begin zeventiende eeuw naar de oostkust, en verwilderde vogels hielden daar stand; met de spoorwegen, de graanhandel en de steden verspreidde de soort zich over het hele continent. Nu is hij standvogel in elke staat van de Verenigde Staten, met inbegrip van Hawaï en de kuststreek van Alaska, in het bewoonde zuiden van Canada, in heel Mexico en de Antillen tot in Midden-Amerika. Trekken doet hij niet: de meeste vogels blijven hun leven lang binnen enkele kilometers van hun geboorterichel. Wel zijn de aantallen in Noord-Amerika tussen 1966 en 2015 met 46 procent gedaald, terwijl het areaal zelf onveranderd bleef.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk op een stadsplein of onder een brug niet naar de soort maar naar de zwerm: tel hoeveel van de kleden blauwgrijs met twee banden zijn en hoeveel wit, roodbruin of geblokt, en je hebt in één blik de fokgeschiedenis van die stad. Let in het vroege voorjaar op de baltsvlucht, waarbij het mannetje luid met de vleugels klapt, opklimt en dan met opgeheven vleugels omlaag zweeft. Bij graansilo's en havenpieren zitten de grootste groepen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd wordt de populatie op zo'n 140 miljoen vogels geschat en de soort staat als niet bedreigd (LC) te boek. In Noord-Amerika liepen de aantallen tussen 1966 en 2015 met 46 procent terug, waarschijnlijk doordat graan minder open wordt opgeslagen en verwerkt dan vroeger. Als uitheemse vogel valt hij in de Verenigde Staten buiten de bescherming van de trekvogelwet en wordt hij in steden en op vliegvelden bestreden.
Wetenschappelijke naam
Columba livia | Gmelin, 1789
Gmelin beschreef de vorm in 1789 als Columba domestica livia, als onderdeel van de tamme duif; omdat de soort daarna nooit van geslacht is verwisseld, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Columba is het gewone Latijnse woord voor duif. De naam livia gaat terug op het Latijnse lividus, 'loodblauw', naar de grondkleur van het wilde kleed. Gmelin gaf geen typelocatie op; later is die op Zuid-Europa vastgelegd.



