Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Zebraduif
Zebraduif | Geopelia striata
Zebra Dove | Tortolita Estriada
De zebraduif is het kleine, fijn dwars gestreepte duifje dat op Hawaï over elk grasveld, elk terras en elk parkeerterrein loopt. Hij is in 1922 op vier eilanden losgelaten en behoort nu tot de talrijkste vogels van de archipel. Van alle duiven van deze gids is hij de kleinste en de minst schuwe: hij loopt tot vlak voor je voeten door.
Geluid
De roep is een snelle reeks korte, hoge koertonen, kroe-kroe-kroe-kroe-kroe, die aan het eind iets versnelt en zachter wordt. Hij klinkt hoger en sneller dan die van de parelhalstortel, waarmee hij op Hawaï overal samen voorkomt. Het geluid is de hele dag te horen, ook in de volle zon, en komt meestal van een lage tak, een dakrand of de grond zelf. In de balts laat het mannetje een langere, rollende reeks horen terwijl hij buigt en de staart spreidt.
Opname: Arend Wassink — CC BY-NC-SA 4.0 · Baan Maka Nature Lodge surroundings, Phetchaburi province, Thailand · xeno-canto
Herkenning
Een kleine duif van ruim twintig centimeter, met een lange, trapsgewijs aflopende staart waarvan de buitenste pennen wit zijn. De bovendelen zijn grijsbruin met een fijne, schubbige tekening; borst en flanken dragen scherpe zwart-witte dwarsstrepen, waaraan de soort zijn naam dankt. Het midden van de borst en het gezicht zijn ongestreept en rozig, en rond het oog ligt een smalle ring blauwe kale huid. Mannetje en vrouwtje lijken op elkaar; het vrouwtje is iets doffer en minder rozig. Jonge vogels zijn valer, meer beige en veel vager gestreept; bij het opvliegen vallen de witte staartzijden op.
Verwarringssoorten
De parelhalstortel, op dezelfde grasvelden, is bijna twee keer zo groot, egaal bruin en draagt een brede zwarte nekvlek met witte stippen in plaats van dwarsstrepen. De treurduif, op Hawaï plaatselijk aanwezig, is groter, ongestreept en heeft een spitse in plaats van trapsgewijze staart. Op het vasteland zijn de musduif en de incaduif even klein en eveneens getekend, maar die soorten en de zebraduif komen nergens samen voor. Bij elke kleine duif op Hawaï is de scherpe zwart-witte dwarsstreping op borst en flanken doorslaggevend.
Leefgebied
Grasvelden, parken, tuinen, hotelterreinen, wegbermen, akkerranden en droge weiden in het laagland vormen zijn kerngebied. Hij foerageert lopend op korte vegetatie en kaal zand en heeft aan een enkele struik of boom genoeg om in te nestelen. Dicht en nat bos mijdt hij; de natte regenwouden aan de loefzijde van de eilanden blijven vrijwel leeg. Meestal blijft hij onder de duizend meter, maar hij is tot ongeveer 2300 meter waargenomen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
In 1922 werd een kleine partij vogels, waarschijnlijk via een handelaar in Singapore, losgelaten op Kauaʻi, Oʻahu, Molokaʻi en Maui. Tegen het eind van de jaren dertig had de soort alle grote zuidoostelijke eilanden bezet, en daarna volgde het eiland Hawaïi zelf. Niʻihau werd rond 1947 bereikt door vogels die vanaf Kauaʻi overvlogen, en sinds 1983 wordt hij ook geregeld van Kahoʻolawe gemeld. Buiten de archipel komt hij in Noord-Amerika niet voor.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
Elk grasveld in Honolulu volstaat: ga op een bankje zitten en de vogels lopen binnen enkele minuten tussen de voeten door. Onderscheid hem van de parelhalstortel op formaat en op de dwarsstreping, niet op kleur, want beide zijn grijsbruin. Luister in de vroege ochtend naar de snelle, hoge koerreeks, die vanaf lage takken en dakranden komt.
Staat van instandhouding
De soort geldt wereldwijd als niet bedreigd (LC) en is talrijk in het hele laagland van de archipel; een telling uit 1946 kwam al op ongeveer 237.000 vogels, en op enkele plekken worden nog steeds duizenden vogels op één locatie geteld. Als uitheemse vogel heeft hij in Hawaï geen beschermde status. Wat zijn aanwezigheid betekent voor de inheemse vogels van het laagland is niet vastgesteld.
Wetenschappelijke naam
Geopelia striata | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Columba striata, naar een vogel uit de Oost-Indische eilanden; de typelocatie is later tot Java beperkt. Swainson voerde in 1837 het geslacht Geopelia in, en omdat de soort daarheen is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Geopelia is gevormd uit het Griekse gē, 'aarde', en peleia, 'duif', naar een duif die op de grond leeft. De soortnaam striata is Latijn voor 'gestreept', naar de dwarsstrepen op borst en flanken.



