Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Koerlan › Koerlan

Koerlan | Aramus guarauna

Limpkin | Carrao

De koerlan is de enige soort van zijn familie op aarde en in Noord-Amerika de vogel van het nachtelijke moeras: donkerbruin, hoogbenig, met een lange kromme snavel en een schreeuw die over het water draagt. Rond 1900 was hij in Florida bijna weggeschoten; nu neemt hij zo snel toe dat hij in enkele jaren in een half werelddeel is opgedoken. De reden is een slak die hier niet thuishoort.

Koerlan (Aramus guarauna)
Foto: gary_leavens — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is het bekendste dat de soort heeft: een lang uitgehaald, schel krie-oow dat begint als een gil en klagend afzakt, meestal na zonsondergang en het luidst in heldere nachten van het vroege voorjaar. Vogels antwoorden elkaar over het moeras, zodat het geschreeuw van oever tot oever heen en weer gaat en op afstand op iets menselijks lijkt. Daarnaast is er een kort, hard kwok als contact- en alarmroep, ook overdag. Het mannetje maakt bovendien geluid met zijn vleugels: in de baltsvlucht laten de sikkelvormig gebogen buitenste slagpennen een laag, zoemend gonzen horen waarmee hij zijn stuk moeras afbakent.

Luister: RoepXC1173199

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · Limoncocha, Shushufindi, Sucumbíos, Ecuador · xeno-canto

Herkenning

Een grote, hoekige moerasvogel ter grootte van een gans, met lange grijsgroene poten, een lange hals en een zware, aan de punt neerwaarts gebogen snavel die aan de basis licht hoornkleurig is en naar voren donker wordt. Het verenkleed is warm donkerbruin; het wit zit vooral op kop, hals en borst, waar het in fijne druppels en strepen staat, en neemt naar de vleugel en de staart toe af tot bijna niets. Het oog is donker en klein in een egaal bruin gezicht, zonder masker of streep. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk gekleurd, al is het mannetje wat groter en zwaarder van snavel; jonge vogels zijn valer en hebben kleinere vlekken. Wie hem stap voor stap door het ondiepe water ziet gaan, herkent hem aan de hoog opgetrokken poot en de aarzelende, hinkende gang die hem zijn Engelse naam heeft bezorgd.

Verwarrings­soorten

Jonge witte ibissen worden er het vaakst voor aangezien: die zijn even groot en bruin, maar hebben een gelijkmatig gebogen roze snavel, een witte buik en witte stuit. De zwarte ibis is donkerder, glanst groen en paars, en zijn snavel is over de hele lengte gebogen in plaats van alleen aan de punt. Jonge kwakken zijn korter van hals en poot, zitten ineengedoken in plaats van rechtop, en hebben een dikke, rechte snavel. De Noord-Amerikaanse roerdomp deelt het riet met hem, maar is gestreept in plaats van gedruppeld en houdt zich verborgen; de Canadese kraanvogel is bijna twee keer zo groot, grijs, en draagt een rode kruin.

Leefgebied

Zoetwatermoeras met veel drijvende en opkomende begroeiing, moerasbos van cipressen, de begroeide oevers van trage rivieren en meren, en in Florida ook aangelegd water: kanalen, waterbergingen, vijvers in parken en langs golfbanen. Het gaat om ondiep water waar hij kan waden en waar zoetwaterslakken leven; kalkrijk, helder water met veel waterplanten draagt de meeste slakken en daarmee de meeste koerlans. Zout water mijdt hij, al zoekt hij op de Antillen de zoete randen van mangrove op. Snel stromende rivieren, kale oevers en diep water gebruikt hij niet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van Florida en het zuiden van Georgia, van Cuba, Jamaica en Hispaniola, en van de Golfhelling van Mexico zuidwaarts door Midden-Amerika; buiten dit gidsgebied gaat het areaal door tot in Argentinië. In Florida was hij in de negentiende eeuw algemeen, werd hij door de jacht sterk teruggebracht en herstelde hij zich na de bescherming langzaam. Sinds 2017 gaat het snel: eerst verscheen hij in Louisiana, waar hij het jaar daarop broedde, en daarna in tientallen staten tot in het noorden van het werelddeel; naar schatting van de waarnemingenbank nam het aantal in de Verenigde Staten tussen 2012 en 2022 met ruim de helft toe. Achter die golf zit de ingevoerde eilandappelslak, die zich in het zuidoosten heeft verbreid en veel groter en talrijker is dan de inheemse slak. Op de kaart staat alleen waar hij regelmatig is; de vogels die nu in Illinois of Ontario opduiken zijn zwervers, geen verspreiding.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in Florida aan de rand van een ondiepe moerasplas met veel waterlelies — Wakulla Springs, Lake Woodruff en de waterbergingen bij Gainesville en Orlando zijn vaste plekken — en let op de bodem van de oever: een hoop lege slakkenhuizen bij elkaar wijst een vaste eetplaats aan, en de vogel is er meestal niet ver vandaan. Wie hem wil horen moet blijven tot na het donker; in maart en april roept hij het meest. Overdag verraadt hij zich vaak door de trage, aarzelende manier waarop hij door ondiep water loopt.

Staat van instandhouding

De soort staat als niet bedreigd (LC) op de Rode Lijst, maar over aantallen en trends is voor het grootste deel van het areaal vrijwel niets bekend. Voor Florida werd het aantal in 1994 op drie- tot zesduizend paar geschat, na een eeuw waarin de vogel van algemeen naar plaatselijk was gegaan. De klassieke bedreigingen zijn er nog: drooglegging van moeras, kanalisatie, en peilbeheer dat de inheemse appelslak wegvaagt. Daar staat nu iets tegenover dat zelden voorkomt: een ingevoerde slakkensoort die een schade voor het moeras is, blijkt voor deze ene vogel een uitkomst.

Wetenschappelijke naam

Aramus guarauna | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Scolopax guarauna, bij de snippen — de lange kromme snavel bracht hem daar. Omdat de vogel later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aramus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot; wat de naam betekent is onzeker, hij wordt in verband gebracht met een Grieks vogelnaampje waarvan niemand meer weet welke vogel ermee bedoeld was. De soortnaam guarauna is een naam uit het Tupi van Zuid-Amerika, oorspronkelijk voor de zwarte ibis, die Linnaeus op deze vogel toepaste; als herkomst gaf hij alleen 'America australi' op, het zuidelijke deel van Amerika. De Engelse naam limpkin komt van de hinkende indruk die zijn gang maakt.