Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Slakkenwouw

Slakkenwouw | Rostrhamus sociabilis

Snail Kite | Caracolero común

De slakkenwouw eet vrijwel niets anders dan appelslakken, waterslakken zo groot als een pruim, en zijn hele bouw is daarop afgestemd. In het gidsgebied leeft hij alleen in de moerassen van Florida, aan de uiterste noordrand van een areaal dat verder door Midden- en Zuid-Amerika loopt.

Slakkenwouw (Rostrhamus sociabilis)
Hoofdfoto · Foto: Giles Laurent — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Het meest gehoorde geluid is een snelle, ratelende alarmserie, ka-ka-ka-ka-ka, die klinkt zodra iemand een nest of slaapplaats nadert. Daarnaast heeft hij een zachter, blatend k-a-a-a-a-a dat op een schaap lijkt en vooral tussen partners wordt gebruikt. Het contactgeluid is een nog stiller koek-koek, dat je alleen van dichtbij hoort. Buiten de broedtijd is de soort grotendeels zwijgzaam; een groep op de gezamenlijke slaapplaats verraadt zich eerder door beweging dan door geluid.

Luister: ZangXC1062367

Opname: Jacob Wijpkema — CC BY-NC-SA 4.0 · San Joaquin (near Monte Villa), Yacuma, Departamento del Beni, Bolivia · xeno-canto

Herkenning

De snavel is het kenmerk: dun, diep gekromd en scherp gepunt, drie tot vier centimeter lang, gemaakt om het spierlijf van een slak uit zijn schelp te lichten zonder de schelp te breken. Het mannetje is donkergrijs tot leigrijs met zwartere vleugels en een zwarte staart met een witte staartbasis en een witte staartpunt; de huid rond snavel en poten is roodroze. Het vrouwtje is bruiner, met een witachtige tekening rond het gezicht, en is iets groter dan het mannetje, zoals bij vrijwel alle haviken en wouwen. Jonge vogels zijn bruin op de bovendelen en bruin-en-beige gestreept onder, met een brede beige wenkbrauwstreep en keel. In de vlucht vallen de brede, bijna peddelvormige vleugels op en de trage, wat slappe slag; hij vliegt laag over het moeras met de kop naar beneden gericht.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse blauwe kiekendief (Circus hudsonius) jaagt in hetzelfde moeras op vergelijkbare hoogte en wordt het vaakst verward, zeker met jonge slakkenwouwen; de kiekendief heeft een witte stuit in plaats van een witte staartbasis, houdt de vleugels in een ondiepe V en heeft een korte, gewone roofvogelsnavel. Volwassen mannetjes zijn bij goed zicht niet te verwarren door de rode gezichtshuid en de dunne haaksnavel. Bij tegenlicht helpt de vleugelvorm: breed en rond bij de slakkenwouw, smal en lang bij de kiekendief. Een derde valkuil is de zwarte gier, die ook laag boven moeras zweeft, maar veel groter is, geen witte staarttekening heeft en nooit naar het water duikt.

Leefgebied

Uitgestrekte zoetwatermoerassen, ondiepe meeroevers en traag stromende waterlopen met helder water en verspreide riet-, zegge- of zaagbladvegetatie. Het leefgebied wordt volledig bepaald door de appelslak: waar die slak niet zit, zit de wouw niet, hoe geschikt het moeras verder ook oogt. Even beslissend is het doorzicht: hij jaagt op het oog, en als de waterplanten te dicht groeien of het water troebel wordt, kan hij de slakken niet meer zien en verlaat hij een verder prima gebied. Ook kanalen, veedrinkpoelen en aangelegde waterbergingen worden gebruikt zodra de slakken er zitten. Lage struiken en kleine bomen aan de rand zijn nodig als uitkijkpost en nestplaats.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Binnen dit gidsgebied is hij standvogel in centraal en zuidelijk Florida, in de moerassen van de Everglades en rond de grote meren; verder is hij talrijk in de laaglandmoerassen van Cuba, van de Mexicaanse Golfkust en het Yucatán-schiereiland, en zuidwaarts door Midden-Amerika. Aan de Pacifische kust van Mexico is zijn areaal in de laatste decennia opgeschoven tot in Jalisco en Colima, honderden kilometers noordwestelijker dan eerder bekend was. Trekken doet hij niet, maar hij is wel zwerfziek: bij droogte verlaten hele groepen een uitgedroogd moeras en duiken elders op. In koude winters trekken Florida-vogels soms wat naar het zuiden binnen de staat.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in Florida in de vroege ochtend langs de rand van een groot, ondiep meer of moeras — Lake Okeechobee, Lake Kissimmee, de Everglades — en let op de trage, laag zwevende vlucht met de kop omlaag. Draait de vogel, dan flitst de witte staartbasis op; dat is op afstand het betrouwbaarste kenmerk. Een vogel die met een slak op een lage struik zit en met kleine rukjes aan de schelp trekt, is minutenlang op dezelfde plaats terug te vinden.

Staat van instandhouding

Wereldwijd is de soort talrijk en niet bedreigd (LC), maar de Amerikaanse populatie is federaal beschermd als bedreigd en schommelt sterk: van ongeveer 65 vogels in 1972 tot rond de drieduizend aan het eind van de jaren negentig, gevolgd door een nieuwe inzinking en recent weer herstel. Alles hangt af van het waterpeil: te lang hoog water of juist een diepe droogte laat de slakken verdwijnen en de broedgevallen mislukken, en het peilbeheer in Zuid-Florida bepaalt dus rechtstreeks hoeveel wouwen er zijn. De ingevoerde eilandappelslak was aanvankelijk te groot voor jonge vogels, maar vormt inmiddels op veel plaatsen een belangrijke voedselbron.

Wetenschappelijke naam

Rostrhamus sociabilis | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Herpetotheres sociabilis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De geslachtsnaam Rostrhamus is samengesteld uit het Latijnse rostrum, 'snavel', en hamus, 'haak', en beschrijft dus precies het gereedschap waaraan de vogel zijn bestaan dankt. sociabilis betekent 'gezellig' of 'in gezelschap levend', naar de gewoonte om in groepen te jagen, te slapen en te broeden. Het beschreven exemplaar kwam uit Corrientes, bij de Rio de la Plata in Argentinië. De Florida-vogels worden tot de ondersoort R. s. plumbeus gerekend, die ook op Cuba voorkomt.