Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Mississippiwouw

Mississippiwouw | Ictinia mississippiensis

Mississippi Kite | Elanio de Mississippi

De mississippiwouw is een slanke, parelgrijze roofvogel die zijn prooi vrijwel geheel in de lucht vangt: grote insecten, gegrepen met één poot en al vliegend opgegeten. Waar de meeste roofvogels alleen jagen, is deze soort door en door gezelschapsdier — hij broedt in losse kolonies, jaagt met tientallen tegelijk boven hetzelfde veld en trekt in groepen naar Zuid-Amerika.

Mississippiwouw (Ictinia mississippiensis)
Hoofdfoto · Foto: saltyhiker — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

De roep is een hoge fluittoon van twee lettergrepen: een korte aanzet, gevolgd door een langere noot die in toonhoogte wegzakt, ongeveer fie-tjieuw. Hij laat hem zowel vanaf een tak als hoog in de vlucht horen, en over open prairieland draagt het geluid ver. Bij gevaar bij het nest klinkt dezelfde roep harder en scherper, en buurvogels vallen bij, zodat er boven een kolonie meerdere vogels tegelijk roepen. In het contact met partner en jongen worden er soms een of twee lettergrepen aan geplakt. Jonge vogels bedelen met een ijler, aanhoudender versie van dezelfde toon.

Luister: VluchtroepXC684341

Opname: Brad Banner — CC BY-NC-SA 4.0 · O'Brien, Haskell County, Texas, United States · xeno-canto

Herkenning

Volwassen vogels zijn licht blauwgrijs, met een bijna wit hoofd, donkergrijze vleugels met zwarte punten en een zwarte, vierkant afgesneden staart; het oog is rood en zit in een donkere vlek. Mannetje en vrouwtje zijn in het veld niet te scheiden, al is het vrouwtje, zoals bij vrijwel alle haviken en wouwen, iets groter en zwaarder dan het mannetje. Jonge vogels zien er anders uit: bruin gestreept op borst en buik, met vlekkerige ondervleugels en een staart met smalle lichte banden; dat kleed houden ze tot in hun tweede kalenderjaar. In de vlucht valt de soort op door lange, spitse vleugels en een lange staart — een silhouet dat aan een valk doet denken. De vlucht zelf verraadt hem echter meteen: traag, zwevend en vol bochten, met plotselinge uitvallen naar een insect.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse grijze wouw (Elanus leucurus) is veel witter, heeft een zwarte schoudervlek en een witte staart, en blijft biddend stil boven het veld hangen — iets wat de mississippiwouw nooit doet. Het smelleken en de slechtvalk hebben een vergelijkbaar spits vleugelsilhouet, maar vliegen met snelle, krachtige slagen en hebben een gebandeerde staart in plaats van een egaal zwarte. Bij jonge mississippiwouwen doen de gestreepte onderdelen denken aan een jonge valk of kiekendief, maar de staart heeft smalle lichte banden en ze zwerven bijna altijd in gezelschap van volwassen vogels rond. Ten slotte is de jachtvlucht op zichzelf al een kenmerk: zwevend, ogenschijnlijk doelloos cirkelend, en dan een korte greep met de poot.

Leefgebied

Broedt in twee verschillende landschappen: hoog opgaand loofbos langs rivieren in het zuidoosten, en in het westen de kleine bosjes, aangeplante windsingels en populieren van de zuidelijke prairiestaten. In het zuidwesten gebruikt hij halfopen eiken- en mesquiteland. Sinds de jaren zeventig broedt hij in het westelijke deel van zijn areaal ook volop in stadsparken, op golfbanen en in straatbomen van kleine steden. Wat hij nodig heeft is niet het bos zelf maar de open lucht ernaast: een groep bomen om in te nestelen, met daarnaast weiland, akker of prairie waar insecten opstijgen. Aaneengesloten gesloten woud zonder open ruimte in de buurt wordt gemeden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Zomervogel van de zuidelijke Verenigde Staten, van Arizona en New Mexico oostwaarts tot Florida en de Atlantische kuststaten, en noordwaarts tot in Colorado, Kansas en Nebraska. Hij overwintert in centraal Zuid-Amerika, vooral in noordelijk Argentinië en zuidelijk Brazilië; in het gidsgebied is hij buiten de broedtijd alleen op doortrek te zien. Oostelijke en westelijke broedvogels komen in het uiterste zuiden van de Verenigde Staten samen en volgen daarna de oostkust van Mexico en Midden-Amerika. Op de zuidelijke Great Plains is hij in de twintigste eeuw sterk toegenomen, geholpen door aangeplante windsingels en stadsgroen; sindsdien zijn er verspreide broedgevallen tot ver in het noordoosten van het land.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Kijk in juli en augustus aan het eind van de middag omhoog boven een dorp of stadje op de zuidelijke prairie: dan cirkelen er vaak tien of meer tegelijk hoog in de thermiek, met korte uitvallen naar libellen en sprinkhanen. Op najaarstrek is hij een van de vier talrijkste soorten in de roofvogelstroom langs de kust van Veracruz, waar de vogels in dichte groepen langskomen. Wie in juni te dicht bij een nest in een stadspark loopt, merkt zijn aanwezigheid op een andere manier: broedvogels duiken dan laag over het hoofd van voorbijgangers.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt geschat op ongeveer 700.000 vogels, en de aantallen waren tussen 1966 en 2019 stabiel. De soort geldt als niet bedreigd (LC). Omdat hij in aangeplant stedelijk groen broedt, spelen de meeste conflicten met mensen zich in woonwijken af: de sterke nestverdediging boven trottoirs en golfbanen leidt geregeld tot klachten, terwijl juist die aangeplante bomen zijn opmars over de prairie mogelijk hebben gemaakt.

Wetenschappelijke naam

Ictinia mississippiensis | (Wilson, 1811)

Alexander Wilson beschreef de soort in 1811 als Falco misisippiensis, bij de valken; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ictinia werd in 1816 ingevoerd door Vieillot en gaat terug op het Oudgriekse iktinos, 'wouw'. De soortnaam betekent simpelweg 'van de Mississippi'; Wilson schreef hem met één s in het midden, en die oorspronkelijke spelling misisippiensis staat nog steeds in de literatuur. Het beschreven exemplaar kwam van beneden Natchez, Mississippi.