Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Steenduif

Steenduif | Columbina talpacoti

Ruddy Ground Dove | Tortolita Rojiza

De steenduif is een kleine grondduif van de warme laaglanden, waarvan het mannetje van kop tot staart kaneelrood is met een grijze kruin. Hij hoort bij open en halfopen land en heeft zich met de ontbossing en de aanleg van weiden en akkers over een groot gebied verspreid, tot in de pleinen en parken van tropische steden. Ten noorden van Mexico verschijnt hij onregelmatig, vooral tussen oktober en april.

Steenduif (Columbina talpacoti)
Foto: brian.gratwicke — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een zacht, tweelettergrepig koer-WOE, dat in een gelijkmatig tempo tientallen keren achtereen wordt herhaald. Naast die reeks laat het mannetje een monotone zang horen van twee lage, snel opeenvolgende noten, seconden achtereen zonder onderbreking. In vergelijking met de musduif klinkt alles iets hoger en iets sneller, wat in gemengde groepjes het bruikbaarste onderscheid is. Hij roept vanaf een lage tak, een draad of een dakrand, het hele jaar door en het meest in de ochtend.

Luister: ZangXC1179013

Opname: Juan Freile — CC BY-NC-SA 4.0 · isla frente a Nuevo Rocafuerte en dirección N, Orellana, Ecuador · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, gedrongen duif met een korte staart en een naar verhouding kleine kop. Het mannetje is warm kaneelrood tot roodbruin op rug, vleugels en borst, met een blauwgrijze kruin en nek, en zwarte streepjes en vlekken op de vleugeldekveren; de staart is donker tot zwart. Het vrouwtje is grauwbruin en veel valer, maar toont dezelfde zwarte vleugeltekening. De borst is effen, zonder de schubbing die de musduif kenmerkt, en de snavel is donker in plaats van rozerood. In de vlucht licht de hand roodbruin op, met een zwarte achterrand.

Verwarrings­soorten

De musduif is kleiner, heeft een fijn geschubde kop, hals en borst en een rozerode snavel met donkere punt. De incaduif heeft een veel langere, rechte staart met witte zijranden en is over het hele lichaam geschubd. In Midden-Amerika komen nog twee kleine grondduiven voor waarmee verwarring mogelijk is: bij de ene is het mannetje effen blauwgrijs (Claravis pretiosa), bij de andere is het verenkleed vaalbruin zonder rood (Columbina minuta). Geen van beide toont het warme kaneelrood dat het mannetje van de steenduif over rug en borst draagt.

Leefgebied

Open en halfopen, vaak vochtig land: weiden, akkers, braakland, dorpsranden, erven, wegbermen en de open oevers van rivieren en plassen. Hij is talrijk in tropische steden, waar hij op pleinen, in parken en op straat naar zaden zoekt en zich weinig van mensen aantrekt. Buiten de bebouwing zit hij in laag struweel en op kaalgeslagen plekken in het bos. Het gesloten binnenste van tropisch bos mijdt hij; juist waar het bos is opengebroken neemt hij toe.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van het noorden van Mexico — op de Pacifische helling vanaf Sinaloa, aan de Golfzijde vanaf Tamaulipas — door heel Midden-Amerika en verder tot in Brazilië, Peru, Paraguay, het noorden van Argentinië en op Trinidad. In de loop van de twintigste eeuw breidde hij zijn areaal sterk uit doordat bos plaatsmaakte voor weiland en graanbouw. In het zuidwesten van de Verenigde Staten duikt hij onregelmatig op, vooral in Arizona en verder in Zuid-Californië, New Mexico en Texas, meestal tussen oktober en april; in Arizona heeft hij enkele keren gebroed. Van een geregelde trek is bij deze soort geen sprake.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Kijk in Mexico of Midden-Amerika op een dorpsplein, bij een veekraal of langs een landweg de groepjes kleine duiven na die op de grond zaad zoeken; steenduiven lopen daar vaak tussen musduiven door. Let op de effen borst, de donkere snavel en bij het mannetje het kaneelrood. Ten noorden van de grens loont het om in de winter elke groep musduiven bij een voerplaats of veekraal langs te gaan.

Staat van instandhouding

De soort is niet bedreigd (LC); over vrijwel zijn hele areaal is hij talrijk en nemen de aantallen toe; een betrouwbare schatting van het totaal is er niet. Hij profiteert van ontbossing, veeteelt en verstedelijking en heeft daardoor gebied gewonnen waar veel bosvogels het juist hebben afgelegd. Bedreigingen van betekenis zijn niet bekend.

Wetenschappelijke naam

Columbina talpacoti | (Temminck, 1810)

Temminck beschreef de soort in 1810 als Columba talpacoti; omdat ze later in het geslacht Columbina is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De beschrijving verscheen in het plaatwerk Les Pigeons, aflevering 12–13, op bladzijde 22 met plaat 11. Columbina is een verkleinwoord van het Latijnse columba, 'duif'; de soortnaam talpacoti is overgenomen uit een inheemse Braziliaanse naam voor deze vogel. Als typelocatie gaf Temminck alleen Zuid-Amerika op.