Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Verreaux' Duif
Verreaux' Duif | Leptotila verreauxi
White-tipped Dove | Tórtola Colipinta
Verreaux' duif is een forse, bleke duif die alleen of in paar op de schaduwrijke bodem van dicht struweel loopt en zelden lang in het open zicht blijft. Zijn zang is een lage, holle toon die klinkt alsof iemand over de hals van een fles blaast, en die in het donkerste deel van het struweel al voor zonsopgang begint. In de Verenigde Staten is hij alleen te vinden in het uiterste zuiden van Texas.
Geluid
De zang bestaat uit twee tonen op dezelfde hoogte, laag, hol en zonder scherpe aanzet: oe-woeoeoe, alsof over een flessenhals wordt geblazen. Hij draagt ver door dicht struweel en klinkt vooral in het eerste en laatste uur van de dag, doorgaans vanuit de dekking en niet vanaf een open tak. De vogel roept het hele jaar door, met een piek in het voorjaar wanneer het paar zijn territorium afbakent. Verder is hij zwijgzaam; wie hem zoekt hoort hem meestal eerder dan hij hem ziet.
Opname: steve — CC BY-SA 4.0 · Frontera Audubon Society (near Weslaco), Hidalgo County, Texas, United States · xeno-canto
Herkenning
Een grote, zware duif met een kleine kop, een bleek voorhoofd en een olijfbruine rug die naar de nek toe een groene of paarse glans krijgt. De onderdelen zijn grijswit tot vuilwit, de borst met een lichte rozige waas; de vleugel is effen, zonder stippen of vlekken. Het oog is bleekgeel met een ring van rode kale huid eromheen, en de poten zijn rood — kenmerken die van dichtbij meteen opvallen. De staart is donker met witte hoeken, die alleen bij het opvliegen of landen te zien zijn; de ondervleugel is roodbruin. Man en vrouw zijn gelijk, jonge vogels zijn valer en hebben lichte zomen op de vleugeldekveren.
Verwarringssoorten
De witvleugeltreurduif is even groot maar draagt een scherpe witte streep langs de gevouwen vleugel, een zwart wangstreepje en blauwe huid rond een rood oog. De treurduif is veel slanker, heeft een spits toelopende staart, zwarte vlekken op de vleugel en geen wit in de staarthoeken. Van de kleine grondduiven verschilt hij door zijn formaat en door het ontbreken van elk vleugelpatroon. Loopt hij op de grond, dan zijn het bleke oog, de rode poten en het effen vleugelkleed samen voldoende.
Leefgebied
Dicht doornstruweel en droog bos met veel klimplanten, bij voorkeur in de buurt van water, en langs bosranden, houtwallen en overwoekerde perceelranden. Waar het oorspronkelijke struweel is verdwenen, gebruikt hij citrusboomgaarden, beschaduwde parken en begroeide stadsranden. Hij foerageert lopend op de schaduwrijke bodem en op paden en zandwegen, en blijft dicht bij dekking. Open grasland zonder struiken en het gesloten binnenste van vochtig regenbos mijdt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van het uiterste zuiden van Texas, langs de benedenloop van de Rio Grande, door beide hellingen van Mexico vanaf Sonora en Tamaulipas, over het schiereiland Yucatán en heel Midden-Amerika, en verder door Zuid-Amerika tot Peru, Uruguay en het midden van Argentinië. Hij trekt niet en blijft zijn leven lang in hetzelfde gebied. In Texas is hij in de laatste decennia langzaam noordwaarts opgeschoven, tot voorbij Corpus Christi en tot in de omgeving van San Antonio. Over het hele areaal worden veertien ondersoorten onderscheiden, die in tint en formaat van elkaar verschillen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop bij het eerste licht een beschaduwd pad af in een van de reservaten langs de benedenloop van de Rio Grande en luister naar de lage holle toon; kijk daarna naar de bodem, niet naar de takken, want deze duif zit zelden hoog. Bij de voerplaatsen van de bezoekerscentra daar komt hij op gemorst zaad af en is hij op enkele meters te bekijken. Let dan op het bleke oog en de rode oogring.
Staat van instandhouding
Partners in Flight schat de wereldpopulatie op twintig miljoen broedvogels, waarvan er minder dan tienduizend in de Verenigde Staten broeden. Meer dan vijfennegentig procent van het oorspronkelijke struweel van Zuid-Texas en Noordoost-Mexico is gerooid voor landbouw en bebouwing, en dat verlies gaat door. Voor de soort als geheel is dat geen bedreiging, maar de Noord-Amerikaanse rand van het areaal hangt af van de restanten die als reservaat zijn behouden.
Wetenschappelijke naam
Leptotila verreauxi | Bonaparte, 1855
Bonaparte beschreef de soort in 1855 als Leptoptila verreauxi; auteur en jaartal staan zonder haakjes, omdat de vogel nog altijd in het geslacht staat waarin hij is beschreven — de naam wordt nu alleen anders gespeld, als Leptotila. Die naam komt van het Griekse leptos, 'dun', en ptilon, 'veer'. De soortnaam verreauxi eert de Franse verzamelaar en handelaar in natuurhistorische voorwerpen Jules Verreaux. Als typelocatie gaf Bonaparte Colombia op; de beschrijving verscheen in de Comptes Rendus van de Académie des Sciences, deel 40, bladzijde 99.




