Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Bandstaartduif
Bandstaartduif | Patagioenas fasciata
Band-tailed Pigeon | Paloma Torcaza
De bandstaartduif is de grote grijze bosduif van het westen: een zware vogel met een gele snavel met zwarte punt, een smalle witte halve halsband in de nek en een brede bleke band over het uiteinde van de staart. Hij zwerft in groepen achter eikels en bessen aan en houdt geen vast woongebied aan. Sinds de jaren zestig lopen de aantallen gestaag terug.
Geluid
Voor een duif is hij stil. De roep is een laag, uilachtig gekoer van twee lettergrepen dat eerst stijgt en dan zakt, hoe-OEH, vaak een aantal keren herhaald vanuit een hoge naaldboom. Daarnaast klinkt af en toe een schor, krassend geluid. Bij het opvliegen fluiten en klappen de vleugels scherp, en in gesloten bos is dat vaak het eerste teken dat er een groep zit.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een grote, forse duif, gelijkmatig grijs met een paarsgrijze waas over kop en borst. In de nek loopt een smalle witte halve halsband, en daaronder ligt een veld van groen glanzende, schubvormig getekende veren. De snavel is geel met een zwarte punt en de poten zijn geel. De staart toont een donkere band aan de basis en een brede, bleekgrijze band over het uiteinde — het kenmerk dat de vogel zijn naam geeft. Jonge vogels missen de halsband en de glans en ogen door lichte veerranden schubbig.
Verwarringssoorten
De rotsduif is korter van staart en toont bijna altijd zwarte strepen over de vleugel, een lichte stuit en een bleke ondervleugel; zijn snavel is grijs, niet geel. De roodsnavelduif van de laagvlakte is donkerder, wijnrood op kop en borst, met een rode snavel en een staart zonder band. De treurduif is veel kleiner en slanker en heeft een lange, spitse staart. Bij een overvliegende groep is de bleke staartband op grote afstand het snelst te zien.
Leefgebied
Langs de Stille Oceaan leeft hij in vochtig naaldbos van sitkaspar en douglasspar op geringe hoogte, met een struiklaag van cascara, vlier, madrone en bosbes waarin hij zijn vruchten zoekt. In het binnenland zit hij hoger, ruwweg tussen 1500 en 3000 meter, in bos van dennen en eiken en in droog jeneverbesbos. Aan de westkust bezoeken de vogels vaste zoutbronnen, waar ze drinken en van de bodem pikken. In de winter komen ze bovendien op voedertafels in tuinen, soms met tientallen tegelijk.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Er zijn twee gescheiden bevolkingen: een langs de Stille Oceaan, van het zuidwesten van Brits-Columbia door Washington, Oregon en Californië, en een in het binnenland, van Utah en Colorado door Arizona en New Mexico tot in het westen van Texas. De binnenlandse vogels trekken in de herfst naar Mexico; aan de kust blijft een deel het hele jaar, al zwerven ook die groepen rond zonder vast gebied. Zuidwaarts loopt het areaal door de bergen van Mexico tot in Guatemala, El Salvador, Honduras en het noorden van Nicaragua; de duiven van Costa Rica en zuidelijker worden tegenwoordig als een aparte soort geteld. Tussen 1966 en 2014 nam het aantal met ongeveer twee procent per jaar af, samen bijna twee derde.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in september een bosrand of bergkam met dragende madrone, vlier of eiken op en wacht daar het eerste uur na zonsopgang af: de groepen komen hoog en snel aanvliegen en vallen dan ineens in. Op het moment dat ze landen licht de witte halsband op. In de winter is een voedertafel in een westelijke voorstad de makkelijkste plek.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt op ongeveer twee miljoen vogels geschat, waarvan ruwweg twee vijfde in de Verenigde Staten en een even groot deel in Mexico. De trend is al decennia negatief: sinds 1968 gemiddeld twee procent per jaar. De jacht is in zes staten toegestaan en kost jaarlijks rond de vijfentwintigduizend vogels; daarnaast spelen het verdwijnen van oud bos en uitbraken van ziekte bij drinkplaatsen een rol.
Wetenschappelijke naam
Patagioenas fasciata | (Say, 1822)
Say beschreef de soort in 1822 als Columba fasciata, in het verslag van de expeditie van Long naar de Rocky Mountains; sinds de Amerikaanse duiven in het geslacht Patagioenas staan, gaan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam fasciata is Latijn voor 'gebandeerd' en slaat op de bleke band over het staarteinde. Het beschreven exemplaar kwam van een zijbeek van de Platte: Plum Creek bij Castle Rock, in Douglas County, Colorado.




