Alle soortenDuifachtigenDuiven › Roodsnavelduif

Roodsnavelduif | Patagioenas flavirostris

Red-billed Pigeon | Paloma Piquirroja

De roodsnavelduif is een grote, donkere duif met een wijnrode kop en borst en een rode snavel met een bleke punt. In het gebied van deze gids leeft hij alleen langs de laatste honderd kilometer van de Rio Grande, waar hij zeldzaam is en in aantal terugloopt. Hij zit hoog en roerloos in de kruinen van het rivierbos en verraadt zich vrijwel altijd eerst met zijn stem.

Roodsnavelduif (Patagioenas flavirostris)
Foto: Andy Reago & Chrissy McClarren — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang begint met een lange, hoge, aangehouden koooo en gaat over in een drielettergrepig kup-a-koe dat drie keer wordt herhaald. Het geluid draagt ver over het rivierdal en komt bijna altijd uit de top van een hoge boom, van maart tot in de zomer. Bij het opvliegen klappen de vleugels hoorbaar. Buiten de broedtijd zwijgt hij grotendeels, en dan is hij in het rivierbos vrijwel niet te vinden.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een grote, donkere duif zonder enig licht kenmerk in vleugel of staart. Kop, hals, borst en de voorste vleugeldekveren zijn diep wijnrood tot paarsbruin, de rest van het verenkleed is leigrijs en de staart eenkleurig grijs. De snavel is rood met een bleekgele punt, het oog bleek met een oranje ring eromheen. Het vrouwtje is doffer dan het mannetje; jonge vogels zijn grauwbruin en missen het wijnrood geheel. In de vlucht oogt hij eenkleurig donker en vliegt hij snel en recht.

Verwarrings­soorten

De rotsduif is ongeveer even groot maar toont vrijwel altijd een lichte stuit, zwarte strepen over de vleugel en een bleke ondervleugel, en heeft een grijze snavel. De bandstaartduif van de bergen heeft een gele snavel met zwarte punt, een smalle witte halve halsband in de nek en een brede bleke band over het staarteinde. De witkapduif, die alleen langs de Caribische kust naast hem voorkomt, is even donker maar draagt een witte kruin. Op grote afstand blijft de eenkleurige staart zonder band het bruikbaarste kenmerk.

Leefgebied

In Texas hoort hij thuis in hoog, oud rivierbos langs de Rio Grande, met ebbenhout, netelboom, huisache en mesquite, vaak op de eilandjes in de rivier zelf. Zuidelijker gebruikt hij tropisch loofbos, galerijbos langs rivieren en halfopen bos met hoge bomen. Vochtig regenwoud mijdt hij, en open woestijn en akkerland zonder bomen ook. Hij foerageert hoog in de kroon en plukt daar vruchten, bessen, eikels en knoppen; buiten de broedtijd bezoekt hij ook sorghum- en maïsvelden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het areaal loopt van het uiterste zuiden van Texas door beide berghellingen van Mexico en verder door Midden-Amerika tot in Costa Rica, dat buiten het kaartvenster van deze gids valt. In Mexico en Midden-Amerika is hij standvogel; in Texas is hij vooral een zomervogel, van maart tot september, en 's winters zeldzaam. De Texaanse vogels zijn beperkt tot de rivierbossen van Starr en Zapata County — Salineño, Chapeño en San Ygnacio zijn de bekendste plekken. Hun aantal is afgenomen naarmate het oorspronkelijke rivierbos werd gerooid voor landbouw en oeverwerken.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Ga in april of mei bij zonsopgang aan de oever van de Rio Grande staan en luister eerst: de lange, hoge koer verraadt de vogel voordat je hem ziet. Zoek daarna de kale toppen van de hoogste bomen aan de overkant af; hij zit lang roerloos en alleen de rode snavel vangt licht. Na een uur of negen valt hij stil en is de kans voorbij.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op ongeveer twee miljoen vogels geschat en de soort staat als niet bedreigd te boek. In Texas is het beeld anders: daar gaat het om een klein aantal paren dat met het rivierbos meebeweegt en al decennia terugloopt. In Mexico en Midden-Amerika drukt de jacht op de aantallen, en overal is het kappen van oud bos met hoge bomen de belangrijkste oorzaak van achteruitgang.

Wetenschappelijke naam

Patagioenas flavirostris | (Wagler, 1831)

Wagler beschreef de soort in 1831 als Columba flavirostris; de Amerikaanse duiven staan tegenwoordig in het geslacht Patagioenas, en daarom gaan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam flavirostris betekent 'geelsnavelig' — niet naar de rode snavel zelf, maar naar de bleekgele punt ervan. Wagler gaf alleen 'Mexico' als herkomst op; van Rossem beperkte de typelocatie in 1930 tot de staat Veracruz.