Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Tijgerzanger
Tijgerzanger | Setophaga tigrina
Cape May Warbler | Reinita atigrada
De tijgerzanger broedt in de toppen van oude sparren in het boreale bos en volgt daar de uitbraken van de sparrenknoprups: in een piekjaar legt hij tot negen eieren, het grootste legsel van alle Amerikaanse zangers. Als enige zanger heeft hij een buisvormig gerolde tong, waarmee hij in de winter nectar en vruchtensap opneemt.
Geluid
De zang is een hoge, ijle reeks van vier tot zes gelijke tsie-notities op één toonhoogte, zo dun dat hij op afstand opgaat in het geluid van de sparrentoppen. De roep is een fijn, scherp sip. De vluchtroep in de nacht is een hoge, licht dalende toon. Gezongen wordt vrijwel alleen op de broedplaats en in de eerste dagen na aankomst.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Charlevoix (near Saint-Joseph-de-la-Rive), Capitale-Nationale, Québec, Canada · xeno-canto
Herkenning
Het mannetje in broedkleed heeft een kastanjebruine oorvlek in een geel gezicht, een zwarte kruin, een gele halszijde en een gele stuit, en zwaar zwart gestreepte gele onderdelen. Over de vleugel loopt een brede witte vlek in plaats van twee smalle strepen. De snavel is fijn en iets gebogen, de staart kort. Vrouwtjes en vogels in de herfst zijn veel doffer: grijsgroen van boven, vaal geel tot grijswit van onderen met fijne streping, maar de gele stuit en een vale gele vlek achter het oor blijven zichtbaar.
Verwarringssoorten
De geelstuitzanger heeft een gele stuit maar ook gele flankvlekken, een witte keel of kin en geen kastanjekleurige oorvlek. De tijgerzangervrouwtjes in de herfst lijken op vale geelstuitzangers en op sparrenzangers; let dan op de fijne snavel, de korte staart, de grijsgroene bovendelen zonder contrast en de vage gele nekzijde. De geelkeelzanger heeft een schoon witte buik en een scherp zwart-witte koptekening zonder kastanje.
Leefgebied
Rijpe sparrenbossen van vijfentwintig tot vijfenzeventig jaar oud, met zwarte en witte spar en balsemzilverspar, bij voorkeur waar de sparrenknoprups voorkomt. Het nest staat hoog tegen de stam, in dichte naalden. Buiten het broedseizoen zit hij in struikrijke tuinen, koffieplantages, kustbos en palmen op de Bahama's en de Grote Antillen, waar hij aan bloemen en aan vruchten hangt en ook aan kolibriebuizen komt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt door de boreale gordel van Noordoost-Brits-Columbia en de zuidelijke Northwest Territories oostwaarts door de prairieprovincies, Ontario en Quebec tot de Maritieme Provincies en Newfoundland, en zuidwaarts tot in Noord-Minnesota, Wisconsin, Michigan, New England en Noord-New York. De trek loopt vrijwel geheel door het oosten van het continent, met een piek in mei en in september. Overwintert in de West-Indische eilanden: de Bahama's, Cuba, Jamaica, Hispaniola, Puerto Rico, de Caymaneilanden en de Turks- en Caicoseilanden, met kleine aantallen in Zuid-Florida en langs het Caraïbische kustgebied. In West-Europa is hij enkele malen als dwaalgast vastgesteld.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In mei geven de bloeiende bomen langs de Grote Meren de grootste kans: hij hangt dan laag in de bloesem om nectar op te nemen, veel lager dan hij op de broedplaats zit. Hoor je in het boreale bos een hoge reeks gelijke tonen, kijk dan in de bovenste twee meter van de sparrentop; lager zingt hij vrijwel nooit.
Staat van instandhouding
De soort is niet bedreigd (LC). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op ongeveer 7 miljoen vogels, met een score van 12 op 20 op de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20). Tussen 1966 en 2015 nam het aantal met circa zeventig procent af. De aantallen schommelen sterk met de uitbraken van de sparrenknoprups: in een piekjaar stijgt de dichtheid tot tienvoudig, en na het instorten van een uitbraak daalt ze weer. Bestrijding van de rups met insecticiden, kap van oud sparrenbos en aanvaringen met verlichte gebouwen tijdens de nachtelijke trek zijn de bekende drukfactoren.
Wetenschappelijke naam
Setophaga tigrina | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Motacilla tigrina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door William Swainson, uit het Griekse sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend'. De soortnaam tigrina is Latijn voor 'als een tijger getekend', naar de zware zwarte streping op het gele onderlichaam; de Nederlandse naam volgt die van het Latijn. De Engelse naam verwijst naar Cape May in New Jersey, waar het beschreven exemplaar werd verzameld; daarna duurde het meer dan een eeuw voordat de soort daar opnieuw werd gezien.




