Alle soorten › Roofvogels › Visarenden › Visarend

Visarend | Pandion haliaetus

Osprey | Águila pescadora

De visarend is de enige roofvogel van het werelddeel die vrijwel uitsluitend van levende vis leeft, en van onderen zo wit dat hij boven open water eerder een grote meeuw lijkt dan een arend. In de jaren zestig was hij uit grote delen van het oosten verdwenen doordat DDT zijn eieren onhoudbaar dun maakte; nu broedt hij weer langs vrijwel elke kust, rivier en stuwmeer, en een groot deel van die nesten staat op palen die mensen voor hem hebben neergezet.

Visarend (Pandion haliaetus)
Foto: Paul Danese — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Wie te dicht bij een bezet nest komt, hoort een reeks korte, schelle fluittonen die sneller en scherper worden naarmate de vogel lager over het hoofd cirkelt: tjiep tjiep tjiep, met tussen de reeksen door een geluid alsof er iets piept. Het vrouwtje bedelt bij het mannetje met een langgerekt, klagend tsjuuuu-iep dat over een hele baai draagt en dat vaak het eerste teken is dat er verderop een nest zit. Draagt het mannetje een vis, dan gaat daar een tragere, hoge reeks fluittonen mee gepaard, telkens in de hoogste punt van zijn golvende vlucht. Buiten de broedtijd is de soort vrijwel zwijgzaam: een trekkende of overwinterende visarend wordt gezien, niet gehoord.

Luister: RoepXC1013326

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · Silah main island, Duba, Tabuk Province, Saudi Arabia · xeno-canto

Herkenning

Van onderen wit: witte buik, witte vleugelvoorzijde en op de knik van de vleugel een scherp begrensde zwartbruine polsvlek die op elke hoogte opvalt. De bovenzijde is egaal donkerbruin, de kop wit met een brede zwarte streep die van de snavel door het oog tot in de nek loopt, en het oog zelf is fel geel. Het vrouwtje is gemiddeld groter en draagt meestal een bruine band over de borst; bij het mannetje is die vaag of afwezig. Jonge vogels hebben lichte veerranden, waardoor de bovenzijde geschubd oogt, en oranje in plaats van gele ogen; dat kleed slijt in het eerste jaar weg. De vleugel is lang, smal en aan het uiteinde in vier tot vijf vingers gespleten, de staart kort en fijn dwarsgebandeerd.

Verwarrings­soorten

Een jonge Amerikaanse zeearend (Haliaeetus leucocephalus) is even groot, maar veel breder van vleugel, van onderen onregelmatig gevlekt donker in plaats van wit met een nette polsvlek, en heeft een zware snavel die de kop groot maakt. Grote meeuwen boven zee zijn op afstand het vaakst het antwoord: die missen de polsvlek en de zwarte oogstreep, en hun vleugelslag is sneller en vlakker. De roodstaartbuizerd is korter en veel breder van vleugel, met een gestreepte buikband en een roodbruine staart, en hangt niet biddend boven open water. Boven een stuwmeer helpt de omtrek: geen andere grote roofvogel is zo smal van vleugel en zo wit van onderen.

Leefgebied

Ondiep, helder water waarin vis van bovenaf te zien is: meren, stuwmeren, traag stromende rivieren, estuaria en lagunes, en in de winter de mangrovekusten van Mexico en het Caraïbisch gebied. Hij vraagt twee dingen tegelijk — visgrond en een vrijstaande, veilige nestplaats binnen een kilometer of tien daarvan — en juist die combinatie is zeldzaam in een natuurlijk landschap. Diep, troebel of dichtbegroeid water levert hem niets op, hoeveel vis er ook in zit. Bos gebruikt hij alleen voor de dode, uitstekende top waarin hij bouwt; een paal in het water voldoet even goed.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel van Alaska en het boreale Canada tot de Golfkust, Neder-Californië en het schiereiland Yucatán, met vaste populaties op de Bahama's, Cuba en de riffen voor Belize die het hele jaar blijven zitten. De vogels van het noorden trekken in september en oktober langs kusten en bergruggen zuidwaarts en overwinteren in Mexico, Midden-Amerika, de Antillen en tot diep in Zuid-Amerika, tot in Brazilië en noordelijk Argentinië — dat laatste gebied valt buiten het gidsgebied en is daarom niet op de kaart te zien. Zenderonderzoek laat reizen van vier- tot vijfduizend kilometer zien, jaar na jaar langs dezelfde route en met dezelfde tussenstops. Jonge vogels blijven hun eerste zomer in het winterkwartier en keren pas in hun tweede of derde jaar terug om te broeden.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Volg de palen. Langs snelwegbruggen, havens, jachthavens en stuwmeren staan nestplatforms waar elk voorjaar in maart hetzelfde paar terugkeert en tot in augustus zichtbaar blijft; een verrekijker vanaf de parkeerplaats is genoeg. Vroeg in de ochtend is het water het vlakst en wordt er het meest gejaagd; op een winderige middag zit hij stil op een paal en gebeurt er weinig. Op de najaarstrek in september is een kaap of een bergrug de beste plek: hij trekt overdag, meestal alleen, en laag genoeg om de zwarte polsvlek te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), en een van de duidelijkste herstelverhalen van het werelddeel. In de jaren vijftig en zestig bezweken de eieren onder de broedende vogels doordat DDT via de vis in hun lichaam terechtkwam en de eischaal te dun maakte; na het Amerikaanse verbod van 1972 groeide de stand weer met ongeveer 1,9 procent per jaar, gemeten over 1966 tot 2019, en Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldstand op zo'n 1,2 miljoen vogels. Dat herstel is voor een groot deel op geplaatste nestpalen en platforms gebouwd. De hinderlijkste bedreiging is nu weggegooid vistuig: nylondraad dat met het nestmateriaal wordt ingevlochten en waarin jongen zich verstrikken.

Wetenschappelijke naam

Pandion haliaetus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Falco haliaetus, bij de valken en arenden; omdat ze later in een eigen geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pandion werd in 1809 ingevoerd door Savigny en is genoemd naar Pandion, een koning van Athene uit de Griekse overlevering; met vissen of vogels heeft die naam niets te maken. haliaetus gaat terug op het Griekse haliaietos, 'zeearend', uit hals, 'zee', en aetos, 'arend'. Als typelocatie gaf Linnaeus heel Europa op; in 1761 beperkte hij dat zelf tot Zweden.