Alle soorten › Zangvogels › Baardmannetjes › Baardmannetje
Baardmannetje | Panurus biarmicus
Bearded Reedling | Bigotudo | Bartmeise | שפמתן | Panure à moustaches
Geen mees en geen zanger maar een familie op zichzelf: een oranjebruine, langstaartige rietvogel die je bijna altijd eerst hoort — een metalig pjing ergens diep in de rietkraag — en dan pas ziet, als een klein projectiel dat laag over de pluimen wegschiet.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
De roep is het kenmerk: een helder, metalig, licht nasaal pjing of tsjing, vaak in korte series en van meerdere vogels tegelijk, alsof er kleine gitaarsnaren worden getokkeld. Daartussen klinkt een droog, ratelend tsjrrr als contactgeluid, en bij het opvliegen van een groepje een opgewonden mengsel van beide. Echte zang is er nauwelijks: het mannetje voegt hooguit wat klikjes en een zacht ratelend zinnetje aan het pjing toe. Het hele jaar te horen, het luidst op windstille dagen in oktober en november, wanneer groepjes hoog boven het riet opstijgen voor de najaarsuitwisseling.
Opname: Bubulcus — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Klein lijf, extreem lange getrapte staart en warme okerbruine tot kaneelkleurige bovendelen. Het mannetje heeft een blauwgrijze kop, een gele snavel, een geel oog en een brede, driehoekige zwarte snorstreep die van de teugel omlaag over de wang hangt — geen baard maar een hangsnor — plus zwarte onderstaartdekveren. Het vrouwtje mist de grijze kop en de snor en is eenvoudig okerbruin met een bleke kop en bleke onderstaartdekveren. Jonge vogels hebben een zwarte rug en zwarte staartzijden. De vlucht is zwak en fladderend, met de lange staart als een sliert achteraan.
Verwarringssoorten
In het riet nauwelijks te verwarren. Een langstaartig silhouet dat door de vegetatie klimt kan een staartmees zijn, maar die is zwart-wit-roze en houdt zich in struweel op, niet in riet. Rietgorzen delen het habitat maar zijn gestreept, hebben een kortere staart, een kegelvormige snavel en een heel andere, hakkelende zang. Jonge baardmannetjes met hun zwarte rug worden weleens voor iets exotisch aangezien; de roep verraadt ze meteen.
Leefgebied
Uitsluitend uitgestrekt, oud, nat riet met een dikke laag afgestorven stengels: grote moerassen, veenplassen, oevers van meren en lagunes en brede rietkragen langs zoet en brak water. Broedt laag in de rietkraag, vlak boven het water. Eet in de zomer insecten en in de winter rietzaad, waarvoor hij in het najaar zelfs zijn spijsverteringsstelsel omschakelt en steentjes inslikt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van West-Europa in een brede, versnipperde band tot Centraal-Azië, overal gebonden aan rietmoeras. Het zwaartepunt ligt in Noordwest- en Midden-Europa: rond de zuidelijke Noordzee duizenden paren in de grote rietmoerassen, en oostwaarts in de moerassen van Midden- en Oost-Europa en de Zwarte Zeekust. In het Middellandse Zeegebied broedt hij lokaal en in kleine, geïsoleerde aantallen — de Ebrodelta, de Albufera van Valencia, Doñana en de laguna's van La Mancha.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Een windstille, zonnige ochtend in oktober of november, aan de luwe kant van een grote rietvlakte: dan trekken groepen van tien tot vijftig vogels laag over en balanceren ze zichtbaar op de rietpluimen. Blijf stilstaan en laat ze naar je toe komen; volg vooral het pjing. In de winter zitten ze graag laag op de zonzijde van de rietkraag, vlak boven de waterlijn.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), maar de aantallen schommelen sterk. Strenge winters met langdurige sneeuw en ijzel op het riet kunnen een populatie halveren, waarna herstel in twee of drie goede jaren volgt, want een paar kan drie broedsels per seizoen grootbrengen. Op de langere termijn is het verlies van overjarig riet het echte probleem: jaarlijks maaien, verdroging, een te strak waterpeil en het dichtgroeien van rietland met wilg maken moerassen ongeschikt.
Wetenschappelijke naam
Panurus biarmicus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als [Parus] biarmicus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Panurus werd in 1816 ingevoerd door Koch. Panurus is Grieks, van panu 'zeer, buitengewoon' en oura 'staart', naar de lange staart. biarmicus verwijst naar Biarmia, de gelatiniseerde naam van Bjarmaland bij de Witte Zee; de vogel broedt daar in werkelijkheid niet, de naam berust op een vergissing in de oorspronkelijke beschrijving. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Holstein in Duitsland.

