Alle soorten › Zangvogels › Boomkruipers › Boomkruiper
Boomkruiper | Certhia brachydactyla
Short-Toed Treecreeper | Agateador europeo | Gartenbaumläufer | טפס-עצים קצר-אצבעות | Grimpereau des jardins
De boomkruiper is de gewone boomkruiper van het laagland van Noordwest- en Midden-Europa: een muisgrijs vogeltje dat spiraalsgewijs tegen de stam op schuifelt, boven in de kruin verdwijnt en dan met een korte boog naar de voet van de volgende boom valt om weer van onderen af aan te beginnen. Hij zit in vrijwel elke oude laan, elk park en elk landgoed, maar valt door kleur en gedrag weinig op. Samen met de taigaboomkruiper vormt hij het moeilijkste paar van de Europese veldgids: op beeld nauwelijks te scheiden, op geluid in één seconde beslist.
Geluid
Hier ligt de beslissing, en alleen hier. De roep is een luid, vol en doordringend tuut, vaak een paar keer herhaald en soms versnellend tot tuut-tuut-tuut; het is een klank met lichaam in zich, die dwars over een park draagt en aan een koolmees of een tjiftjaf kan doen denken. De zang is kort, hard en elke keer in precies hetzelfde ritme, eindigend op een nadrukkelijke slotnoot: tuut tuut tuut te-roi-TIT. Hij duurt nog geen twee seconden en klinkt afgesneden, alsof er een stukje ontbreekt. Let op één valkuil: waar beide soorten naast elkaar leven zingen sommige mannetjes de strofe van de ander na. De roep en het leefgebied wegen dan zwaarder dan de zang.
Opname: Latal — CC BY 4.0 · xeno-canto
Herkenning
Klein en muisachtig, van boven grijsbruin met een fijne witte spikkeling en streping die precies op schors lijkt, van onderen wit. De staart is lang, stijf en spits, roestbruin van kleur, en wordt bij het klimmen als derde steunpunt tegen de bast gezet; daardoor beweegt de vogel schokkerig omhoog en nooit met de kop omlaag. De snavel is lang, dun en gebogen als een pincet, waarmee hij tot diep in schorsspleten wroet. Beslissend zijn de details van onderkant en kop. De flanken en de onderbuik zijn zelden zuiver wit maar vuilwit tot beigebruin, vaak met een warme waas over de achterflank. De wenkbrauwstreep is grijzig en zwak, vóór het oog het zwakst en achter het oog niet ver doorlopend. Over de handpennen loopt een lichte band die bij deze soort vrij vlak is, met een korte, weinig uitspringende trede. De snavel is gemiddeld langer en de nagel van de achterteen korter dan bij de taigaboomkruiper — maar dat zijn maten uit de hand, geen veldkenmerken, en elk kenmerk afzonderlijk overlapt.
Verwarringssoorten
Alles draait om de taigaboomkruiper, die op het Iberisch Schiereiland alleen in de Pyreneeën en het Cantabrisch gebergte broedt, in hooggelegen naaldbos en beukenbos — zie ook de soortpagina van de taigaboomkruiper. Die is witter en zuiverder op de onderdelen, warmer en contrastrijker gevlekt op de bovendelen, heeft een scherp afgetekende witte wenkbrauw die ver achter het oog doorloopt, een kortere snavel en een langere nagel aan de achterteen, en op de handpennen een lichte band met een duidelijk uitspringende trede. Onder een boslichtje in een vochtige kruin is geen van die verschillen betrouwbaar. Buiten die twee gebergten is elke boomkruiper op het Iberisch Schiereiland zonder verdere discussie gewoon boomkruiper. Wie in het grensgebied van beide soorten geen geluid heeft gehoord, doet er goed aan de vogel niet te noteren. De boomklever is grover gebouwd, blauwgrijs van boven met roestige flanken en een zwarte oogstreep, heeft een rechte spitse snavel en geen steunstaart, en klimt als enige boomvogel van Europa ook met de kop naar beneden. De winterkoning is eveneens bruin en gestreept, maar rond, kortstaartig met de staart omhoog, en hij hupt in plaats van te klimmen.
Leefgebied
Loof- en gemengd bos in het laagland, maar vooral het halfopen, oude bos: beuken- en eikenlanen, landgoederen, stadsparken, begraafplaatsen, hoogstamboomgaarden, houtwallen, dorpsranden en tuinen met opgaande bomen. Waar het om gaat is ruwe, diep gegroefde schors en loshangende bastschilfers; een gladde jonge aanplant is voor hem ongeschikt, een oude eik of een grove den met schilferende bast biedt hem voedsel. Het nest zit achter een loshangende bastplaat, in een spleet achter klimop of in een boomkruiperkast met een zij-ingang, en bestaat uit twijgjes met daarop een kommetje van bast, mos en veertjes. In Zuid-Europa ook in kurkeikenbos, dehesa (Iberisch parklandschap van oude eiken boven begraasd grasland) en bergbos tot ver boven de duizend meter.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Iberië en Noordwest-Afrika oostwaarts tot Anatolië en de Kaukasus, en noordwaarts tot het uiterste zuiden van Scandinavië; verder komt hij nergens ter wereld voor. Op de Britse Eilanden ontbreekt hij, op een handvol dwaalgasten in het uiterste zuidoosten na. In Noordwest- en Midden-Europa is hij de gewone boomkruiper van het laagland en wijkt de taigaboomkruiper naar naaldbos en hoger terrein. In Iberië bezet hij vrijwel al het beboste terrein, van zeeniveau tot de middelgebergten, en laat hij alleen de hoogste naald- en beukenbossen van de Pyreneeën en het Cantabrisch gebergte aan de taigaboomkruiper. Hij trekt niet; een boomkruiper leeft doorgaans binnen enkele honderden meters van zijn geboorteboom.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Leer eerst de roep, dan valt de soort je overal op. Loop van maart tot mei tussen zeven en tien uur door een oude laan, een beekbos of een landgoed en wacht op de korte, harde strofe; hij wordt vaak vanaf een halfhoge tak of tijdens het klimmen gezongen. Wie de vogel wil zien, kijkt niet omhoog maar naar de voet van de stammen: een boomkruiper begint zijn ronde altijd laag. Een tweede, veel minder bekende ingang zijn de slaapkuiltjes. In parken en op landgoederen staan mammoetbomen met een dikke, zachte, vezelige bast waarin boomkruipers ovale kuiltjes uithollen om in te overnachten, vaak op ooghoogte aan de luwe kant van de stam. Zoek ze overdag op, ga in de winterschemer op tien meter afstand staan en kijk hoe de vogel komt aanvliegen en zich met de snavel in de veren in het kuiltje drukt.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in vrijwel heel West-Europa toegenomen. De soort profiteert van bos dat ouder mag worden, van volwassen stadsgroen en van zachtere winters, en heeft nauwelijks last van de factoren die andere bosvogels treffen. Strenge, langdurige vorst kost hem wel veel vogels, omdat hij dan geen insecten meer uit bevroren schors kan peuteren; na zo'n winter kan een streek half leeg zijn en na drie zomers weer vol. De enige structurele bedreiging is het opruimen van oude bomen met ruwe schors, in het bos zowel als in het park en langs de weg.
Wetenschappelijke naam
Certhia brachydactyla | Brehm, 1820
Brehm beschreef de soort in 1820 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Certhia werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Certhia komt van het Griekse kerthios, een kleine boombewonende vogel die Aristoteles en anderen beschrijven. brachydactyla is Grieks, van brakhus 'kort' en daktulos 'vinger, teen', naar de korte tenen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit het Rodadal in Thüringen.




