Alle soorten › Steltloperachtigen › Vorkstaartplevieren › Steppevorkstaartplevier
Steppevorkstaartplevier | Glareola nordmanni
Black-Winged Pratincole | Canastera alinegra | Schwarzflügel-Brachschwalbe | שדמית שחורת-כנף | Glaréole à ailes noires
De donkerste van de drie vorkstaartplevieren en de meest oostelijke: een vogel van de zilte steppes tussen de Zwarte Zee en de Kazachse steppe. Toch blijft de soort overal lastig hard te maken, ook als er een kandidaat vlak voor je zit.
Geluid
Een droog, hard kik-kik en een ratelend kirrik, meestal in de vlucht en vaak in groepjes. De roep lijkt sterk op die van de gewone vorkstaartplevier en is in het veld geen determinatiekenmerk; hij is hooguit het signaal dat er iets over komt waar je naar moet kijken.
Opname: Vladimir Arkhipov — CC BY-NC-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Donkerder en warmer bruin op de bovendelen dan de gewone vorkstaartplevier, met een crèmekleurige keel in een zwarte omlijsting en een rode snavelbasis. De poten zijn lang en zwart, de witte oogring ontbreekt of is nauwelijks zichtbaar. De staart is diep gevorkt maar de staartpennen zijn kort en reiken in rust niet tot voorbij de vleugelpunten. Alles draait echter om de vlucht: witte stuit, zwarte staart, geen witte achterrand aan de vleugel, en een geheel zwarte ondervleugel die scherp afsteekt tegen de witte buik.
Verwarringssoorten
Tegenover de gewone vorkstaartplevier zijn er vier punten, en drie ervan zijn alleen in vlucht te zien. De ondervleugel is zwart in plaats van kastanjebruin; de witte achterrand van de vleugel, bij de gewone soort een dunne maar duidelijke lijn langs de armpennen, ontbreekt hier volledig; en de staartpennen zijn korter, zodat de vork ondieper oogt en in rust niet voorbij de vleugelpunten steekt. Alle drie vragen ze om een vogel in vlucht, en het liefst tegen het licht in: dan lichten de doorschijnende armpennen op en is in één oogopslag te zien of er een witte achterrand zit, terwijl de ondervleugel als een egaal zwart vlak tegen de witte buik komt te staan. Op een zittende vogel, of bij vlak zijlicht, is het kenmerk waardeloos, want dan kan ook kastanjebruin zwart ogen. Van de Oosterse vorkstaartplevier scheidt de zwarte ondervleugel hem meteen, maar die soort mist net als deze de witte achterrand.
Leefgebied
Broedt in kolonies op zilte steppes, drooggevallen meeroevers en drassige vlaktes met korte, opgevreten vegetatie, vaak in de buurt van sodameren en zoutpannen. Foerageert vliegend boven grasland en akkerland, achter zwermen sprinkhanen en kevers aan; in Zuidelijk Afrika volgt de soort in de zuidzomer de regen en de sprinkhaanplagen. Dwaalgasten in Noordwest-Europa zitten meestal op kale akkerranden, natte weilanden en drooggevallen slikplaten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van de Pontische steppe oostwaarts tot het oosten van de Kazachse steppe en Zuidwest-Siberië. De hele wereldpopulatie overwintert in Zuidelijk Afrika, vooral in Namibië, Botswana, Zimbabwe en het noordwesten van Zuid-Afrika, waar na zware regens groepen van meer dan duizend vogels op overstroomd grasland samenkomen. In Noordwest-Europa is augustus veruit de beste maand, met uitlopers tot in november. Op de Britse Eilanden liggen de gevallen verspreid, vooral langs de oost- en zuidkust van Groot-Brittannië, eveneens met een duidelijke voorkeur voor de nazomer.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Augustus is het moment, en de vogels duiken op waar sprinkhanen en muggen boven het land staan: pas gemaaide graslanden, drooggevallen kleiputten en de randen van inlagen, of in Iberië de marismas (getijdenmoerassen van de Guadalquivirmonding, deels verzilt) van de Guadalquivir, de Ebrodelta en de lagunes van La Mancha, waar ze tussen groepen vorkstaartplevieren zitten. Kies je plek naar het licht en niet naar de vogel: ga zo staan dat een overvliegende plevier tussen jou en de zon door komt, en wacht op een lage doorkomst in plaats van achter een zittende vogel aan te lopen. Fotografeer liever tien vluchtbeelden dan één portret van de zittende vogel; let ook op de lange zwarte poten en het ontbreken van een witte oogring, kenmerken die juist bij een zittende vogel goed te zien zijn.
Staat van instandhouding
De soort staat als gevoelig te boek. In het Europese deel van het areaal zijn de aantallen sterk gedaald en uit de westelijke Pontische steppe is de soort in de jaren negentig vrijwel verdwenen, terwijl de populaties in het centrale en noordoostelijke deel van de Kazachse steppe toenemen. Het grootste knelpunt is het broedsucces: vertrapping van nesten door vee, predatie, hagelbuien en droogte kosten in slechte jaren vrijwel de hele jonge generatie. Daarnaast speelt de omzetting van steppe in akkerland en het gebruik van bestrijdingsmiddelen tegen sprinkhanen.
Wetenschappelijke naam
Glareola nordmanni | Fischer von Waldheim, 1842
Fischer von Waldheim beschreef de soort in 1842 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Glareola werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Glareola is een Latijns verkleinwoord van glarea 'grind', naar de kale grindige grond waarop vorkstaartplevieren broeden. nordmanni eert de in Finland geboren zoöloog en ontdekkingsreiziger Alexander von Nordmann (1803–1866). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de steppen van zuidelijk Rusland.



