Alle soorten › Hoenderachtigen › Tandkwartels › Virginiaanse boomkwartel
Virginiaanse boomkwartel | Colinus virginianus
Northern Bobwhite | Colín de Virginia | Virginiawachtel | שליו אמריקני | Colin de Virginie
Een Noord-Amerikaans hoentje dat in Europa alleen bestaat omdat het is uitgezet. Waar het standhoudt, vooral in de Po-vlakte, verraadt de haan zich met een heldere fluittoon van twee lettergrepen, gegeven vanaf een paaltje of een hek en soms midden op de dag.
Geluid
De Engelse naam is de roep zelf: een helder, opklimmend bob-WÍET, vaak met een zachte aanloopnoot ervoor, gegeven vanaf een paal, een hek of een steenhoop. De haan roept van april tot in augustus, ook in de volle middagzon. Verspreide groepsleden zoeken elkaar met een zacht, aanzwellend hoi-lie, en bij onraad klinkt een scherp pit-pit waarna het hele groepje in de dekking verdwijnt.
Opname: G. McGrane — Public domain · Wikimedia Commons
Herkenning
Klein, rond en kortstaartig, duidelijk kleiner dan een patrijs, met een korte zwarte snavel en geen kuifveer. De haan heeft een witte keel en een witte wenkbrauwstreep, beide scherp omzoomd door zwart, en een roodbruine kruin die hij tot een laag kuifje kan opzetten. Borst en buik zijn roomwit met zwarte, hoefijzervormige schubtekening; de bovendelen zijn roodbruin met zwarte vlekken en roomkleurige veerranden. De hen heeft dezelfde koptekening, maar in vaal geelbruin in plaats van wit en zwart. Opvliegen gaat explosief, met ratelende vleugels en over hooguit enkele tientallen meters.
Verwarringssoorten
In Europa is verwarring vooral mogelijk met de kwartel (Coturnix coturnix): die is kleiner, geelbruin gestreept in plaats van geschubd, mist de zwart-witte koptekening en vliegt laag en langgerekt weg met snelle, vlakke slagen. De patrijs is groter, heeft een grijze borst, een oranjebruin gezicht zonder witte wenkbrauwstreep en een donkere buikvlek. Plaatselijk lopen ook uitgezette Californische kuifkwartels rond; die hebben een zwarte, voorover hangende kuifveer en een geschubde buik met een kastanjebruine vlek.
Leefgebied
Mozaïeken van lage dekking en kale grond: ruige akkerranden, braakliggende percelen, houtwallen en heggen, verruigde weiden en de rand van wijngaarden en boomgaarden. De vogels foerageren lopend op de open plekken en duiken bij gevaar het struweel in, dus dekking zonder kale bodem ertussen is voor hen waardeloos. Gesloten bos, natte terreinen en hooggebergte worden gemeden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Het natuurlijke areaal ligt in het oosten en midden van Noord-Amerika, zuidwaarts tot in Midden-Amerika. Wat in Europa rondloopt, gaat terug op uitgezette vogels: voor de jacht losgelaten hoentjes houden zich vooral in de Po-vlakte plaatselijk staande, met kleinere kernen op de Balkan. Elders gaat het om losse uitgezette of ontsnapte vogels, die zelden een winter overleven. Van een aaneengesloten Europees areaal is geen sprake, en de meeste nationale zeldzaamhedencommissies beschouwen de soort als geïntroduceerd.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Rijd in mei of juni langzaam door kleinschalig akkerland in de Po-vlakte en stop bij elke fluittoon; de roep draagt ver over open land. De vogels lopen liever dan dat ze vliegen, dus scan bermen, de kale strook langs een akker en de voet van heggen. Buiten de gevestigde kernen noteer je elke waarneming in Europa als uitgezette of ontsnapte vogel.
Staat van instandhouding
Wereldwijd als gevoelig beoordeeld: in Noord-Amerika is de soort in enkele decennia sterk afgenomen door schaalvergroting in de landbouw, het verdwijnen van ruige randen en het dichtgroeien van jonge successie. De Europese vogels vormen kleine, versnipperde groepen die afhankelijk zijn van doorgaande uitzettingen en van ruige akkerranden. Ze vallen in Europa niet onder de vogelbescherming en tellen niet mee in Europese soortenlijsten.
Wetenschappelijke naam
Colinus virginianus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tetrao virginianus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Colinus werd in 1820 ingevoerd door Goldfuss. Colinus gaat terug op het Nahuatl zōlin, 'kwartel'. virginianus betekent 'uit Virginia': de typevindplaats werd oorspronkelijk als 'Amerika' opgegeven en later tot die staat beperkt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Virginia.



