Alle soorten › Genten en aalscholvers › Genten › Maskergent
Maskergent | Sula dactylatra
Masked Booby | Bobo enmascarado
De maskergent is de grootste gent van de tropen en de schaarste broedende gent van het Caribisch gebied. Hij broedt op kale, afgelegen rotseilandjes en cayos en foerageert ver op open zee, zodat hij vanaf de grote eilanden zelden te zien is.
Geluid
Op zee stil, in de kolonie luidruchtig. Het mannetje geeft een dalend, fluitend fiew, het vrouwtje een luid, schor toeterend honk.
Opname: Eric S. J. Tan — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
75–85 cm, fors, met een spanwijdte van ruim anderhalve meter. Volwassen vogels zijn wit, met zwarte handpennen, armpennen en staart, zodat de vleugel een brede zwarte achterrand heeft. De naakte huid rond snavel en oog vormt een zwart masker; de snavel is geel, het oog geel, de poten zijn olijfgrijs. De seksen zijn gelijk, maar verschillen in stem. Jonge vogels zijn bruin op kop, hals en bovendelen, met een witte halsband op de achterhals en een witte buik; de snavel is grijsachtig. Het volwassen kleed wordt in ongeveer drie jaar bereikt.
Verwarringssoorten
De witte vorm van de roodpootgent Sula sula is kleiner, met een witte staart, rode poten, een blauwe snavel en een zwarte vlek bij de pols op de ondervleugel. De Jan-van-gent Morus bassanus is groter, met een witte staart, een geelachtige kop en alleen zwarte vleugelpunten. Jonge maskergenten lijken op bruine genten Sula leucogaster, maar hebben een witte halsband die de bruine kap van de mantel scheidt; jonge bruine genten zijn egaler bruin met een minder scherp afgetekende buik.
Leefgebied
Open, diep water ver uit de kust, waar de vogels van grote hoogte steil duiken naar vliegende vissen en andere scholvis. Broeden op kale grond op vlakke delen van rotseilandjes en zandcayos, zonder echt nest. Van de twee eieren wordt vrijwel altijd maar één jong groot: het oudste jong verdringt het jongste.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Broedt in kleine aantallen op afgelegen eilandjes, onder meer op de Pedro- en Morantcays bij Jamaica, op Monito bij Puerto Rico, op Sombrero bij Anguilla en op enkele rotseilandjes in de Maagdeneilanden en de Kleine Antillen. Buiten de kolonies een schaarse gast op zee rond vrijwel alle eilanden, van de Bahama's tot Trinidad en Tobago, de ABC-eilanden en San Andrés. Buiten het gebied in alle tropische oceanen, onder meer op de banken van Campeche in de Golf van Mexico.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Kansen zijn er vooral op pelagische tochten en veerboten tussen de eilanden, en vanaf kapen bij harde wind. De meeste kolonies zijn alleen met vergunning en per boot te bereiken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. In het Caribisch gebied is de populatie klein en verspreid over weinig kolonies. Bedreigingen zijn ingevoerde ratten, katten en geiten, verstoring, het rapen van eieren en jongen en mijnbouw of guanowinning op broedeilanden.
Wetenschappelijke naam
Sula dactylatra | Lesson, 1831
Lesson beschreef de soort in 1831 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Sula werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Sula gaat terug op súla, het Oudnoorse en IJslandse woord voor de jan-van-gent; die naam ging over op de genten. dactylatra combineert Grieks daktulos 'vinger' en Latijn ater 'zwart': 'zwarte vingers', naar de gespreide zwarte vleugelpunten in vlucht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ascension (zuidelijke Atlantische Oceaan).


