Alle soorten › Flamingo's › Flamingo's › Rode flamingo
Rode flamingo | Phoenicopterus ruber
American Flamingo | Flamenco del Caribe
De rode flamingo is de flamingo van het Caribisch gebied, dieper gekleurd dan de andere flamingo's: roze tot oranjerood over kop, hals en lijf. Hij broedt in kolonies op enkele afgelegen zoutvlakten, onder meer op Great Inagua in de Bahama's, op Cuba en op Bonaire, en zwerft van daaruit langs de kusten. Hij is de nationale vogel van de Bahama's.
Geluid
Ganzenachtig: een nasaal, toeterend ka-ha, vooral in de vlucht; foeragerende groepen maken een laag, aanhoudend gesnater, dat bij een kolonie tot een luid rumoer aanzwelt.
Opname: FREDERIC Lionel — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
120–145 cm, met een zeer lange hals en zeer lange poten. Volwassen vogels zijn roze tot koraalrood, het felst op kop, hals en borst; de vleugeldekveren zijn dieprood, de slagpennen zwart en alleen in de vlucht of bij gespreide vleugels te zien. De snavel is in het midden geknikt, met een bleke basis, een roze tot oranje middendeel en een zwarte punt; de poten zijn roze. Jonge vogels zijn grijsbruin met een roze waas, een grijze snavel met zwarte punt en grijze poten, en kleuren pas na enkele jaren door. Vliegt met gestrekte hals en poten, in lange rijen of losse V's.
Verwarringssoorten
Met zijn bouw is hij in het gebied niet te verwarren. De rode lepelaar Platalea ajaja is veel kleiner, met een kortere hals, een witte hals bij volwassen vogels en een platte lepelsnavel. De rode ibis Eudocimus ruber is scharlakenrood, veel kleiner en heeft een lange, gebogen snavel. Losgeraakte vogels uit collecties kunnen tot andere soorten behoren: de flamingo Phoenicopterus roseus is bleker en witachtiger roze, de Chileense flamingo P. chilensis heeft grijze poten met rode gewrichten en een snavel die voor meer dan de helft zwart is.
Leefgebied
Ondiepe zoutpannen, zoute en brakke kustlagunes, getijdenvlakten en ondiepe baaien; plaatselijk ook zoute meren in het binnenland, zoals het Enriquillomeer op Hispaniola. Foerageert lopend met de kop ondersteboven in het water en zeeft met de snavel kleine kreeftachtigen, weekdieren, insectenlarven en algen uit water en slik. Broedt in dichte kolonies op kale modderbanken, waar elk paar een afgeplatte kegel van modder bouwt met één ei.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
In het gebied het talrijkst op Cuba, met grote broedkolonies langs de noordkust, onder meer in de delta van de Río Máximo, en op de Bahama's, waar de kolonie op Great Inagua ligt. Op Bonaire broedt de soort in het Pekelmeer, op Curaçao en Aruba komen geregeld vogels voor. Op de Turks- en Caicoseilanden komt hij geregeld voor en is broeden mogelijk. Op Hispaniola vooral rond het Enriquillomeer en in zoutlagunes langs de kust; of hij daar regelmatig broedt, is niet eenduidig vastgelegd. Op Anegada in de Britse Maagdeneilanden werd de soort in de jaren negentig opnieuw uitgezet en broedt daar weer. Op Puerto Rico, Jamaica, de Kaaimaneilanden, Trinidad en de Kleine Antillen een onregelmatige gast of dwaalgast. Buiten het gebied in Yucatán, langs de kusten van Colombia en Venezuela, op de Galápagos en in kleinere aantallen in Florida.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Bonaire zijn rode flamingo's het hele jaar te zien in de zoutpannen in het zuiden en bij het Gotomeer; de broedkolonie in het Pekelmeer is afgesloten voor bezoekers. Op Cuba langs de lagunes van de noordelijke cayos en in de zoutlagunes van het Zapata-schiereiland. Bij foeragerende groepen is het verschil tussen roze volwassen vogels en grijsbruine jongen te zien.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; de wereldpopulatie neemt toe. In de twintigste eeuw liep de soort in het gebied sterk terug door jacht, het rapen van eieren en verstoring van de kolonies; op Great Inagua was ze rond 1950 bijna verdwenen, en na bescherming herstelde de kolonie zich. Kustontwikkeling, zoutwinning, stijging van de zeespiegel, vervuiling en aanvaringen met hoogspanningslijnen zijn de huidige bedreigingen.
Wetenschappelijke naam
Phoenicopterus ruber | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Phoenicopterus voerde hij in datzelfde werk in. Phoenicopterus is Grieks, van phoinix 'karmozijnrood' en pteron 'veer', dus 'roodgevederd'. ruber is Latijn voor 'rood', naar het diepe rozerood van deze soort. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Antillen.



