Alle soorten › Zangvogels › Spotlijsters › Tropische spotlijster

Tropische spotlijster | Mimus gilvus

Tropical Mockingbird | Centzontle tropical

De tropische spotlijster is de zuidelijke tegenhanger van de spotlijster en vervangt die op de Kleine Antillen, Trinidad en Tobago, de ABC-eilanden en San Andrés. De twee werden wel als één soort beschouwd. Hij is een van de meest zichtbare vogels van open land en bebouwing, zit graag hoog op een struik, paal of dak en zingt veel. Op Curaçao en Bonaire heet hij chuchubi.

Tropische spotlijster (Mimus gilvus)
Foto: Tony Hisgett from Birmingham, UK — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een lange, gevarieerde zang van zachte tot ruwe noten, trillers en frasen met veel herhaling, vaak vanaf een hoge zitplaats en ook bij maanlicht. Imiteert zelden andere vogels; de zang is van die van de spotlijster nauwelijks te onderscheiden. De roep is een ruw tsjak.

Luister: ZangXC1145220

Opname: José — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

23–26 cm, slank, met een lange staart en een dunne, licht gebogen zwarte snavel. Kop en bovendelen zijn grijs, met een witachtige wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep. De onderdelen zijn vuilwit, ongevlekt. De vleugels zijn zwartachtig met witte randen en twee witte vleugelstrepen, zonder grote witte vlek aan de basis van de handpennen. De staart is lang en donker, met brede witte punten aan de buitenste veren. De iris is geel tot oranjegeel. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn bruiner, met donkere vlekken op borst en flanken.

Verwarrings­soorten

De spotlijster Mimus polyglottos heeft een grote witte vlek aan de basis van de handpennen, zichtbaar in de vlucht, en grotendeels witte buitenste staartveren; de twee soorten overlappen in het gebied nauwelijks. De grijze koningstiran Tyrannus dominicensis heeft een donker masker, een zware rechte snavel en een kortere staart. De geschubde spotlijster Allenia fusca is bruin met een gevlekte onderzijde en leeft in bos.

Leefgebied

Open en halfopen land: droog struweel, cactusscrub, kuststruweel, savanne, weilanden, plantages, parken en tuinen tot midden in dorpen en steden. Mijdt gesloten bos en mangrove. Foerageert op de grond of laag in de begroeiing en eet geleedpotigen, vruchten, zaden, kleine hagedissen, eieren en ook menselijk voedsel. Het nest is een open kom in een struik of boompje.

Verspreiding en trek

Standvogel op de Kleine Antillen van Barbuda en Antigua zuidwaarts over Guadeloupe, Dominica, Martinique, Saint Lucia, Saint Vincent en de Grenadines tot Grenada (antillarum); op de noordelijke eilanden is de soort pas in de twintigste eeuw verschenen. Verder op Trinidad en Tobago (tobagensis), Aruba, Curaçao en Bonaire (rostratus) en San Andrés en Providencia (magnirostris). Buiten het gebied van Zuid-Mexico door Midden-Amerika tot in Noord- en Oost-Zuid-Amerika.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op de ABC-eilanden, Tobago, Grenada en Saint Lucia vrijwel overal in open land te zien, ook bij hotels en op parkeerplaatsen. Bij een vliegende vogel is het ontbreken van een witte vleugelvlek het beste verschil met de spotlijster.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het gebied algemeen en profiterend van ontbossing en open, bewoond land; op de Kleine Antillen breidde de soort zich in de twintigste eeuw noordwaarts uit.

Wetenschappelijke naam

Mimus gilvus | (Vieillot, 1808)

Vieillot beschreef de soort in 1808 als Turdus gilvus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Mimus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Mimus is Latijn voor 'nabootser', naar de gewoonte om andere geluiden na te doen. gilvus is Latijn voor 'lichtgeel, valgeel', naar het bleke, grijzige verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frans-Guyana (voorgesteld; oorspronkelijk 'Guyana en het warme Amerika').