Alle soorten › Uilen › Kerkuilen › Amerikaanse kerkuil

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Havikachtigen en uilen Hieraves

Amerikaanse kerkuil | Tyto furcata

American Barn Owl | Lechuza de campanario

De Amerikaanse kerkuil is de kerkuil van Noord-, Midden- en Zuid-Amerika, die tegenwoordig meestal als aparte soort naast de kerkuil Tyto alba van Europa, Afrika en West-Azië wordt gezien. Alle kerkuilen in het gidsgebied behoren tot deze soort. Hij is standvogel van het noorden van Mexico tot in Panama, vooral in open en halfopen land met akkers, weiden en dorpen. Hij jaagt 's nachts, laag zwevend boven open terrein, en vindt zijn prooi vooral op het gehoor.

Amerikaanse kerkuil (Tyto furcata)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een langgerekte, hese en rauwe schreeuw, ongeveer sjrrrieeh, vaak in de vlucht. Bij het nest en bij verstoring blazen en sissen; jongen bedelen met een aanhoudend snurkend geluid. Bij gevaar ook snavelklappen.

Luister: DuetXC1034696

Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

32–40 cm, met een groot, hartvormig wit gezichtsmasker, donkere ogen en lange, gevederde poten. De bovendelen zijn goudgeel met een grijze waas en fijne zwarte en witte stippels; de onderdelen variëren van wit tot lichtgeelbruin met kleine donkere vlekjes. In de vlucht lijkt de vogel van onderen bijna geheel wit, met lange, ronde vleugels en een korte staart. Vrouwtjes zijn gemiddeld groter en op de borst vaak warmer getint en sterker gevlekt dan mannetjes. Vogels uit het zuiden van het gidsgebied zijn gemiddeld kleiner en vaak donkerder dan die uit het noorden van Mexico.

Verwarrings­soorten

De velduil Asio flammeus jaagt eveneens laag boven open terrein, maar heeft gele ogen in een donkere omlijsting, korte oorpluimen, een gestreepte borst en een donkere vlek bij de vleugelboeg, en vliegt vaker in de schemering of overdag. De gestreepte ransuil Asio clamator heeft lange oorpluimen en een sterk gestreepte, geelbruine onderkant. In het licht van een lamp kan een vliegende kerkuil op een witte reiger lijken, maar de grote ronde kop en de stille, fladderende vlucht zijn kenmerkend.

Leefgebied

Open en halfopen land: savanne, weiland met verspreide bomen, akkers en milpa, suikerrietvelden, droog bos met open plekken, halfwoestijn en de randen van bos; ook dorpen en steden. Ontbreekt in groot aaneengesloten regenwoud. Overdag rust hij in holle bomen, palmen, grotten, rotsspleten, kerktorens, schuren en verlaten gebouwen, waar hij ook broedt. Het voedsel bestaat vooral uit ratten, muizen en andere kleine zoogdieren, aangevuld met vleermuizen, vogels en hagedissen.

Verspreiding en trek

Standvogel in vrijwel het hele gidsgebied, van Baja California en het noorden van Mexico tot in Panama, met de grootste aantallen in de laaglanden en in open landbouwgebied; plaatselijk ook in de hooglanden. Ook op een deel van de eilanden voor de kust. Buiten het gidsgebied van het zuiden van Canada tot Vuurland en in het Caribisch gebied.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste in de schemering bij oude gebouwen, kerken, haciënda's en grotten, of 's nachts langs landwegen door open veld en suikerriet, waar de witte onderkant in het licht van een lamp of koplampen opvalt. Braakballen en witte uitwerpselen onder een rustplek verraden een bezette nis; de schreeuw is vaak eerder te horen dan de vogel te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Ontbossing en uitbreiding van landbouw scheppen voor deze soort eerder nieuw jachtgebied. Verkeersslachtoffers, rattengif en het verdwijnen van broedplaatsen in oude gebouwen vormen plaatselijk risico's; op het platteland wordt de soort soms uit bijgeloof vervolgd.

Wetenschappelijke naam

Tyto furcata | (Temminck, 1827)

Temminck beschreef de soort in 1827 als Strix furcata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tyto werd in 1828 ingevoerd door Billberg. Tyto komt van het Oudgriekse tutō 'uil'. furcata is Latijn voor 'gevorkt', van furca 'vork'; waarop Temminck precies doelde, is niet duidelijk. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cuba.