Alle soorten › Zangvogels › Muggenvangers › Blauwgrijze muggenvanger

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Blauwgrijze muggenvanger | Polioptila caerulea

Blue-grey Gnatcatcher | Perlita azulgris

De blauwgrijze muggenvanger is een kleine, slanke zangvogel met een lange, zwart-witte staart die voortdurend wordt opgewipt en heen en weer gezwaaid. Hij is de meest verbreide muggenvanger van Noord-Amerika. In het gidsgebied broedt hij in grote delen van Mexico en is hij in de winter talrijk tot in het noorden van Midden-Amerika.

Blauwgrijze muggenvanger (Polioptila caerulea)
Foto: lwolfartist — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een dun, nasaal en klagend spie of zie, vaak herhaald. De zang is een zachte, kwetterende reeks van piepende en nasale tonen, soms met nagebootste geluiden van andere vogels.

Luister: RoepXC1136174

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10–12 cm, met een lange staart. Bovendelen blauwgrijs, bij het vrouwtje grijzer; onderdelen wit. Duidelijke witte oogring. Het mannetje heeft in de broedtijd een smalle zwarte streep over het voorhoofd die boven het oog doorloopt; buiten de broedtijd ontbreekt die. Staart zwart met witte buitenste veren; van onderen gezien vrijwel geheel wit. Vleugels grijs met lichte randen aan de armpennen. Snavel kort en dun.

Verwarrings­soorten

De zwartstaartmuggenvanger Polioptila melanura en de californische muggenvanger Polioptila californica hebben een van onderen grotendeels zwarte staart. Het mannetje van de zwartkapmuggenvanger Polioptila nigriceps en van de witteugelmuggenvanger Polioptila albiloris heeft in de broedtijd een volledige zwarte kap. De witbrauwmuggenvanger Polioptila bilineata en de yucatánmuggenvanger Polioptila albiventris hebben bij het mannetje een zwarte kruin met daaronder een witte wenkbrauwstreep.

Leefgebied

Open bos en bosranden, vooral eiken- en pijn-eikenbos, droog loofbos, doornstruweel en oeverbos; in de winter in vrijwel elk bebost terrein, ook in het laagland, in parken en in tuinen. Zoekt tussen de bladeren naar kleine insecten en spinnen en sluit zich in de winter vaak aan bij gemengde groepen.

Verspreiding en trek

Broedt in het noorden van Mexico en in de hooglanden zuidelijk tot in het zuiden van Mexico; standvogels leven ook in het oosten van Mexico, op het schiereiland Yucatán en in Belize. In de winter verspreid over vrijwel heel Mexico en zuidelijk tot in Guatemala, El Salvador en Honduras; verder zuidelijk zeldzaam. Buiten het gidsgebied broedt hij in een groot deel van de Verenigde Staten en in het uiterste zuiden van Canada en overwintert hij ook op Cuba en de Bahama's.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter vaak in gemengde groepen zangvogels in bosranden en parken; het dunne, nasale roepje en de zwaaiende staart met veel wit verraden hem.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Talrijk en wijdverbreid; het broedgebied in Noord-Amerika heeft zich in de afgelopen decennia naar het noorden uitgebreid.

Wetenschappelijke naam

Polioptila caerulea | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Motacilla caerulea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Polioptila werd in 1855 ingevoerd door Sclater. Polioptila is Grieks, van polios 'grijs' en ptilon 'veer': 'grijsgeveerd'. caerulea is Latijn voor 'hemelsblauw', naar de blauwgrijze bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Philadelphia, Pennsylvania, VS.