Alle soorten › Zangvogels › Pestvogels › Cederpestvogel

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Cederpestvogel | Bombycilla cedrorum

Cedar Waxwing | Ampelis chinito

De cederpestvogel is een bruingrijze vogel met een kuif, een zwart masker en een gele staartpunt, die in groepen rondtrekt op zoek naar bessen en vruchten. Hij broedt in Noord-Amerika en is in het gidsgebied een wintergast. Het aantal dat het gidsgebied bereikt, verschilt sterk van jaar tot jaar.

Cederpestvogel (Bombycilla cedrorum)
Foto: Savannah grandfather — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zeer hoge, dunne, sissende sriii-tonen, die in een groep voortdurend klinken. Er is geen eigenlijke zang.

Luister: ZangXC1142128

Opname: Rory Nefdt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14–17 cm. Kop, borst en rug warm grijsbruin, met een spitse kuif die vaak half plat ligt. Zwart masker door het oog, aan de bovenkant smal wit omzoomd. Buik lichtgeel, onderstaartdekveren wit. Vleugels en stuit grijs; volwassen vogels hebben aan de punt van de armpennen kleine rode, wasachtige plaatjes. Staart grijs met een heldergele eindband. Jonge vogels grijzer, met streepjes op borst en flanken.

Verwarrings­soorten

De grijze zijdevliegenvanger Ptiliogonys cinereus heeft ook een kuif, maar is blauwgrijs of grijs zonder zwart masker, heeft een langere staart met een witte band en gele onderstaartdekveren. Andere pestvogels komen in het gidsgebied niet geregeld voor.

Leefgebied

Overal waar bessen en vruchten te vinden zijn: bosranden en open bos in de hooglanden, secundair bos, boomgaarden, weiland met bomen, parken en tuinen in steden en dorpen. Eet in de winter vooral vruchten en bessen; vangt bij warm weer ook insecten in de vlucht.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied in de winter in een groot deel van Mexico, met de meeste vogels in het noorden en in de hooglanden, en zuidwaarts door Guatemala, Belize, El Salvador en Honduras tot in Nicaragua en Costa Rica; in Panama onregelmatig en schaars. Broedt buiten het gidsgebied in Canada en het noorden en midden van de Verenigde Staten.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Groepen zitten vaak rechtop dicht bij elkaar in de top van een kale boom vlak bij een boom vol vruchten. De hoge roepjes zijn meestal eerder te horen dan de vogels te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen in Noord-Amerika; in het gidsgebied een wintergast waarvan de aantallen per jaar sterk verschillen.

Wetenschappelijke naam

Bombycilla cedrorum | Vieillot, 1808

Vieillot beschreef de soort in 1808 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Bombycilla voerde hij in datzelfde werk in. Bombycilla is een door Vieillot bedacht Latijns woord voor 'zijdestaart', een vertaling van het Duitse Seidenschwanz: van bombyx 'zijde' en -cilla, dat hij ten onrechte voor 'staart' aanzag. cedrorum is Latijn voor 'van de ceders', naar de bessen van de Virginische jeneverbes ('red cedar') die de vogel graag eet. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit oostelijk Noord-Amerika.