Alle soorten › Zangvogels › Manakins › Oranjekraagmanakin

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Oranjekraagmanakin | Manacus aurantiacus

Orange-collared Manakin | Saltarín cuellinaranja

De oranjekraagmanakin is een kleine, gedrongen manakin van de Pacifische kant van het zuiden van Costa Rica en het westen van Panama. Het mannetje heeft een oranje keel en kraag tegen een zwarte kruin en rug. Mannetjes baltsen in groepjes op de bosbodem en maken daarbij luide knallen met hun vleugels. De soort komt alleen in het gidsgebied voor.

Oranjekraagmanakin (Manacus aurantiacus)
Foto: lwolfartist — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een helder tsjie-poe en korte, scherpe roepjes. Op de baltsplaats is vooral het mechanische geluid te horen: harde, knallende vleugelslagen als knalvuurwerk en een snorrend geratel van de vleugels.

Luister: ZangXC723136

Opname: Asociación Ambiental Finca Cántaros — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10 cm. Mannetje: kruin, rug en vleugels zwart; keel, wangen en een brede kraag rond de nek helder oranje, met lange keelveren die bij de balts als een baard worden opgezet. Stuit en buik olijfgroen, de buik geelachtig. Poten feloranje. Vrouwtje en jong olijfgroen, onderzijde wat geelachtiger, eveneens met oranje poten.

Verwarrings­soorten

De goudkraagmanakin Manacus vitellinus (Panama) heeft een goudgele in plaats van oranje kraag en keel; waar beide soorten elkaar raken, in het westen van Panama, komen tussenvormen voor. De withalsmanakin Manacus candei (Caribische kant) heeft een witte kraag en keel. Vrouwtjes van de drie soorten zijn in het veld nauwelijks te onderscheiden; het verspreidingsgebied is dan het beste kenmerk. Vrouwtjes van andere manakins hebben geen oranje poten.

Leefgebied

Randen en open plekken van vochtig laagland- en heuvelbos, secundair bos, dichte struikgroei en ruigte langs beken, meestal beneden 1000 m. Eet vooral kleine vruchten en wat insecten. Mannetjes houden kleine, schoongeveegde plekjes op de bosbodem vrij waar zij tussen dunne stammetjes heen en weer springen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Pacifische kant van het zuiden van Costa Rica, van de omgeving van Carara zuidwaarts over het schiereiland Osa, en het westen van Panama in Chiriquí, Veraguas en het westen van het schiereiland Azuero. Komt buiten het gidsgebied niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Algemeen in het Nationaal Park Carara en op het schiereiland Osa in Costa Rica. De knallen van de vleugels verraden de baltsplaatsen in dichte struikgroei langs bospaden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Plaatselijk algemeen en goed bestand tegen secundaire begroeiing; het kleine verspreidingsgebied maakt de soort wel gevoelig voor ontbossing.

Wetenschappelijke naam

Manacus aurantiacus | (Salvin, 1870)

Salvin beschreef de soort in 1870 als Chiromachaeris aurantiaca; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Manacus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Manacus is door Brisson gelatiniseerd uit het Nederlandse 'manakin' (van 'manneken'), de naam die deze vogeltjes in Suriname droegen. aurantiacus is modern Latijn voor 'oranje', naar de oranje keel en kraag van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Chiriquí, Panama.