Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Prairiepieper
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Prairiepieper | Anthus spragueii
Sprague's Pipit | Bisbita llanero
De prairiepieper is een schuwe, eenzelvige pieper van korte tot middelhoge, natuurlijke graslanden. Hij broedt op de noordelijke prairies van Noord-Amerika en overwintert onder meer in de graslanden van het noorden en midden van Mexico. Door het verdwijnen van natuurlijk grasland is hij sterk achteruitgegaan.
Geluid
In de winter vooral de roep bij het opvliegen: een scherp, schel squiet, vaak twee keer herhaald. De zang, een hoge, dalende reeks rinkelende tonen in een lange zangvlucht, is buiten het broedgebied zelden te horen.
Opname: Jacob Saucier — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
15–17 cm. Slank, met een dunne snavel met lichte ondersnavel en lange, lichte roze poten. Bovendelen geelbruin met opvallend geschubde, zwart en bleek getekende veren; kruin en nek fijn gestreept. Het gezicht is bleek en effen, waardoor het grote donkere oog sterk opvalt. Onderdelen wittig met een okerkleurige borst en een fijne ketting van donkere streepjes over de borst. Buitenste staartpennen grotendeels wit, goed zichtbaar bij het opvliegen. De seksen zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De pacifische waterpieper Anthus rubescens is donkerder en grijzer van boven met nauwelijks gestreepte rug, heeft donkere poten, wipt voortdurend met de staart en leeft in groepen op kale velden en oevers. De savannahgors Passerculus sandwichensis, de bairds gors Centronyx bairdii en de sprinkhaangors Ammodramus savannarum komen in dezelfde graslanden voor, maar hebben een korte, dikke kegelsnavel en geen wit in de staart.
Leefgebied
In de winter natuurlijk grasland met kort tot middelhoog gras en weinig struiken, vooral in de halfwoestijngraslanden van het Chihuahua-plateau; ook extensief begraasde weiden. Mijdt akkers, hoog gras en terrein met veel struiken. Loopt verscholen in het gras en is pas te zien als hij opvliegt: hij stijgt hoog op, cirkelt rond en duikt dan steil terug in het gras. Eet insecten en zaden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Broedt op de noordelijke prairies van het zuiden van Canada en het noorden van de Verenigde Staten. Overwintert van het zuiden van Arizona en Texas tot in het noorden en midden van Mexico. In het gidsgebied vooral in Chihuahua, Durango, Coahuila, Nuevo León en Tamaulipas, schaarser zuidelijk tot in Jalisco, Guanajuato, Querétaro, Mexico-Stad en Puebla en westelijk in Sonora.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de winter te vinden in de graslanden van Janos in Chihuahua en El Tokio in Nuevo León. Het best door langzaam door kort grasland te lopen en te letten op de schelle roep van een opvliegende vogel.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU). De populatie is sterk afgenomen door het omzetten van natuurlijk grasland in akkerland, zowel in het broedgebied als in de overwinteringsgebieden in Mexico; ook verruiging met struiken en overbegrazing spelen een rol.
Wetenschappelijke naam
Anthus spragueii | (Audubon, 1844)
Audubon beschreef de soort in 1844 als Alauda spragueii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is het Latijnse woord voor een klein vogeltje van graslanden dat Plinius de Oudere noemt. spragueii eert de Amerikaanse illustrator Isaac Sprague (1811–1895), die Audubon in 1843 op diens Missouri-expeditie vergezelde, waar de soort werd ontdekt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Fort Union, North Dakota, VS.


