Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Virginiaral
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae
Virginiaral | Rallus limicola
Virginia Rail | Rascón limícola
De virginiaral is een kleine, roestbruine ral met grijze wangen en een lange, iets gebogen roodachtige snavel: in kleur en tekening een koningsral in het klein. Hij leeft verborgen in riet- en lisdoddemoerassen en wordt veel vaker gehoord dan gezien. In het gidsgebied broedt hij in het noordwesten van Mexico en in de moerassen van de centrale hoogvlakte; in de winter komen er vogels uit Noord-Amerika bij.
Geluid
Een herhaald, metalig tikkend kid-ik kid-ik kid-ik, vooral in het broedseizoen, en een reeks knorrende, aflopende tonen, oink-oink-oink-oink, die snel achter elkaar volgen. Daarnaast korte, scherpe kik-roepen en zacht gemompel. Roept het meest in de schemering en 's nachts.
Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
22–27 cm, met een lange, slanke, licht gebogen snavel, roodachtig met een donkere rug van de bovensnavel. Kruin en bovendelen zijn bruin met zwartachtige veercentra; wang en zijkant van de kop zijn duidelijk grijs. Keel witachtig. Hals, borst en vleugeldekveren zijn warm roestbruin. Flanken en buik zijn zwart met smalle witte dwarsbanden; de onderstaart is deels wit en zwart. De poten zijn roodbruin. De korte staart wordt bij het lopen vaak opgewipt. Jonge vogels zijn donkerder, met zwartachtige vlekken op borst en flanken. Vliegt zelden en kort, met hangende poten.
Verwarringssoorten
De koningsral Rallus elegans en de mexicaanse ral Rallus tenuirostris hebben een vergelijkbaar kleurpatroon, maar zijn veel groter, met bruinachtige in plaats van grijze wangen en een minder rode snavel. De mexicaanse ral leeft in dezelfde hooglandmoerassen als de virginiaral. De soraral Porzana carolina heeft een korte, dikke gele snavel, een zwart gezicht en een grijze borst. De zwarte dwergral Laterallus jamaicensis is veel kleiner en donkerder, met een korte zwarte snavel en witte stippen op de rug.
Leefgebied
Zoetwatermoerassen met lisdodde, biezen en riet, natte graslanden en de begroeide randen van meren, vijvers en kanalen, op de hoogvlakte tot boven 2500 m. In de winter ook in brakke kustmoerassen. Foerageert lopend door ondiep water en natte modder in dichte vegetatie, op insecten en hun larven, slakken, wormen, kleine kreeftachtigen en wat zaden. Het nest is een kom van plantenmateriaal in dichte vegetatie boven het water, vaak met een afdakje van omgebogen stengels.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
In Mexico broedvogel in het noorden van Baja California en in Sonora, onder meer in de delta van de Colorado, en in de moerassen van de centrale hoogvlakte, zoals die van de bovenloop van de Lerma in de staat México en van Xochimilco bij Mexico-Stad. In de winter verder verspreid over het noorden en midden van Mexico en in het laagland van de Golfkust, zuidelijk tot Veracruz en Oaxaca; in de hooglanden van Chiapas het hele jaar door waargenomen. In Guatemala en verder zuidelijk slechts enkele meldingen. Buiten het gidsgebied als broedvogel in het zuiden van Canada en een groot deel van de Verenigde Staten.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de moerassen bij Toluca en Lerma en in Xochimilco, in de vroege ochtend langs randen van lisdodde en open water; ook in de Ciénega de Santa Clara in de delta van de Colorado. De tikkende en knorrende roepen verraden de vogels; met geduld stapt er soms een even uit de dekking.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, al zijn de moerassen van de Mexicaanse hoogvlakte sterk ingekrompen door ontwatering, verstedelijking en waterwinning, waardoor de standvogels daar beperkt zijn tot enkele restgebieden.
Wetenschappelijke naam
Rallus limicola | Vieillot, 1819
Vieillot beschreef de soort in 1819 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Rallus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Rallus is de naam die Engelse vogelkundigen als Willughby en Albin al vóór Linnaeus voor de waterral gebruikten; de precieze herkomst van het woord is onzeker. limicola is Latijn, van limus 'modder' en -cola 'bewoner': 'moerasbewoner'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pennsylvania.


