Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Zwarte stern

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae

Zwarte stern | Chlidonias niger

Black Tern | Fumarel común

De zwarte stern broedt in zoetwatermoerassen in Noord-Amerika en Eurazië, maar brengt de rest van het jaar grotendeels op zee door. De Noord-Amerikaanse vogels, van de ondersoort surinamensis, trekken in groten getale door het gidsgebied, zowel over land als langs de kust. Een groot deel overwintert in de voedselrijke wateren voor de Pacifische kust van Costa Rica, Panama en noordwestelijk Zuid-Amerika.

Zwarte stern (Chlidonias niger)
Foto: DickDaniels (http://theworldbirds.org/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op trek weinig te horen; een kort, scherp kik of kjek, in groepen soms een nasaal gekwetter.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1162397

Opname: Ricardo Hevia — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

22–26 cm, klein, met een korte, licht ingesneden staart en een dunne zwarte snavel. In broedkleed zijn kop en onderdelen roetzwart, met witte onderstaartdekveren, en zijn rug, vleugels en staart donker leigrijs; de ondervleugel is lichtgrijs. In winterkleed zijn voorhoofd en onderdelen wit, met een zwarte achterkruin en oorvlek die samen een kap vormen, en een kenmerkende donkere vlek op de zijkant van de borst. Jonge vogels lijken op winteradulten, met bruingeschubde bovendelen. Vogels in de rui zijn wit-zwart gevlekt. De poten zijn donkerrood.

Verwarrings­soorten

Grotere sterns zoals de visdief Sterna hirundo en de forsters stern Sterna forsteri zijn lichter grijs, hebben een diepere staartvork en missen de donkere borstvlek. De Amerikaanse dwergstern Sternula antillarum is nog kleiner, met een gele snavel in de zomer en lichtgrijze bovendelen. De zwarte stern duikt niet, maar pikt zijn prooi met een lichte, zwaluwachtige vlucht van het wateroppervlak.

Leefgebied

Op trek kustwater, open zee, lagunes, meren, stuwmeren en moerassen, ook ver in het binnenland. In de winter vooral op zee voor de kust, vaak in grote groepen boven scholen vis, en op rustplaatsen op stranden, zandbanken en drijvend materiaal. Pikt insecten en kleine visjes van het oppervlak.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Op trek in het hele gidsgebied, langs beide kusten en boven binnenwateren, met de grootste aantallen aan de Pacifische kant. Overwintert vooral voor de Pacifische kust van Costa Rica en Panama, met de Golf van Panama als belangrijk gebied; in Mexico in de winter schaars. Buiten het gidsgebied broedt de soort in Canada en het noorden van de Verenigde Staten, en in Europa en Azië; de Amerikaanse vogels overwinteren tot in Peru en langs de noordkust van Zuid-Amerika.

  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op trek en in de winter zijn groepen boven zee vanaf kapen en vanaf de veerboten en kustboten in de Golf van Panama en de Golf van Nicoya het best te zien. Boven meren en moerassen in het binnenland verschijnen de vogels vooral in mei en in de nazomer.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De Noord-Amerikaanse broedpopulatie is sinds de jaren zestig sterk afgenomen door het verdwijnen van moerassen, maar de soort is nog talrijk.

Wetenschappelijke naam

Chlidonias niger | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Sterna nigra; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chlidonias werd in 1822 ingevoerd door Rafinesque. Chlidonias komt van het Griekse khelidonios 'zwaluwachtig', van khelidon 'zwaluw'. niger is Latijn voor 'glanzend zwart'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Uppsala in Zweden.