Alle soorten › Muisvogelachtigen › Muisvogels › Blauwnekmuisvogel

Blauwnekmuisvogel | Urocolius macrourus

Blue-Naped Mousebird | Pájaro ratón nuquiazul

Een slanke, grijsbruine muisvogel met een zeer lange, spitse staart, een kuifje en een turkooisblauwe nekvlek, die in groepjes door het acaciastruweel van de Sahel klautert. In het gidsgebied is hij een schaarse gast aan de uiterste zuidrand: sinds de eerste foto's in 2018 wordt hij geregeld gezien in de grensdorpen van Zuid-Algerije, zodat hij daar mogelijk een vaste gast is.

Blauwnekmuisvogel (Urocolius macrourus)
Foto: DickDaniels (http://theworldbirds.org/) — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een helder, fluitend en wat dalend tieuw-tieuw of pieeuw, vaak als contactroep in vlucht door de hele groep herhaald.

Luister: RoepXC455704

Opname: Bram Piot — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 35 cm, waarvan meer dan de helft staart. Egaal zandig grijsbruin met een spitse kuif, een zwart masker rond het oog en een opvallende turkooisblauwe vlek in de nek. Het naakte oogvel en de basis van de snavel zijn rood, de snavelpunt zwart; de poten roodachtig. De staart is lang, smal en sterk getrapt. Seksen gelijk; jonge vogels missen de blauwe nekvlek en hebben een groenige snavelbasis. Klautert muisachtig door takken en vliegt snel en recht, met afwisselend fladderen en glijden, de lange staart als een stok erachter.

Verwarrings­soorten

In het gidsgebied geen andere muisvogels. Een vliegende halsbandparkiet (Psittacula krameri) heeft ook een lange spitse staart, maar is groen met een rode snavel. De bruingele babbelaar (Argya fulva), die in dezelfde oases leeft, is ook langstaartig en gaat in groepjes rond, maar is warm roestbruin, mist kuif en masker en heeft een donkere snavel.

Leefgebied

In de Sahel droog acaciastruweel, open savanne, oevers van droge rivierbeddingen en dorpen met tuinen. In het gidsgebied gezien in de tuinen en dadelpalmtuinen van oases en grensdorpen in de zuidelijke Sahara. Eet vruchten, bladeren, knoppen en bloemen; zit in rust dicht tegen elkaar op een tak.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Schaarse gast. Sinds 29 juli 2018, toen een vogel werd gefotografeerd in een dorp in het district Tin Zaouatine in het zuiden van de provincie Tamanrasset, wordt hij geregeld waargenomen in het uiterste zuiden van Algerije, meestal enkele vogels, soms groepjes, vooral in zomer en herfst; in 2025 werd hij herhaaldelijk gefotografeerd bij Bordj Badji Mokhtar aan de grens met Mali. Elders in het gebied geen zekere moderne waarnemingen; oude balgen met 'Egypte' als vindplaats stammen vermoedelijk uit het toenmalige Egyptisch-Soedanese gebied. Daarbuiten door de hele Sahel, van Mauritanië (noordwaarts tot rond Choum) en Senegal tot Ethiopië, Somalië, Kenia en Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Alleen in het grensgebied van Zuid-Algerije, dat moeilijk en niet altijd veilig te bereizen is. Wie er komt, zoekt de groene tuinen en dadelpalmtuinen van de grensdorpen af en luistert naar de fluitende roep van een overvliegend groepje.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in de Sahel algemeen. In het gidsgebied een schaarse gast aan de uiterste rand, die sinds 2018 geregeld de grens overschrijdt; nieuwe waarnemingen uit Algerije en Libië zijn welkom bij de nationale zeldzaamhedencommissies.

Wetenschappelijke naam

Urocolius macrourus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Lanius macrourus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Urocolius werd in 1854 ingevoerd door Bonaparte. Urocolius komt van het Griekse oura, 'staart', en het geslacht Colius — naar de zeer lange staart van deze muisvogels. macrourus is Grieks voor 'langstaartig', van makros 'lang' en ouros 'staart'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.