Alle soorten › Genten en aalscholvers › Aalscholvers › Aalscholver

Aalscholver | Phalacrocorax carbo

Great Cormorant | Cormorán Grande

De aalscholver is de grootste aalscholver van het gebied en de enige die zowel aan de kust als op groot binnenwater algemeen is. In zuidelijk Afrika komt hij voor als de witborstaalscholver (P. c. lucidus), een vorm met een opvallend witte keel en borst die soms als aparte soort wordt behandeld.

Aalscholver (Phalacrocorax carbo)
Foto: Nrik kiran — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de kolonie zwijgend. In de kolonie diepe, gorgelende en kwakende geluiden, een laag korrr-korrr, en sissen bij dreiging.

Luister: RoepXC1152641

Opname: Sunny Tseng — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 90 cm, groot en zwaar, met een dikke hals, een forse haaksnavel en een middellange, wigvormige staart. Volwassen vogels zijn zwart met een groenbronzen glans, met een witte keel, voorhals en borst; de omvang van het wit varieert en is aan de westkust het grootst. In de broedtijd verschijnen een witte vlek op de dij en witte draadveertjes op kop en hals. De gezichtshuid is geel, het oog groen. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn bruin van boven en vuilwit van onder, soms geheel wit aan de onderzijde. Vliegt met gestrekte hals en krachtige vleugelslagen, soms in V-vorm of lange rijen.

Verwarrings­soorten

De Kaapse aalscholver (Phalacrocorax capensis) is kleiner en slanker, geheel blauwzwart met een oranjegele keelhuid; de kustaalscholver (Phalacrocorax neglectus) is dof zwartbruin zonder witte borst. De Afrikaanse dwergaalscholver (Microcarbo africanus) is veel kleiner met een lange staart en een korte snavel. De Afrikaanse slangenhalsvogel (Anhinga rufa) heeft een dunne, geknikte hals en een dolksnavel zonder haak.

Leefgebied

Rotskusten, eilanden, estuaria en lagunes, en in het binnenland grote meren, stuwmeren, rivieren en dammen met voldoende grote vis. Jaagt duikend op vis van tot enkele honderden grammen, alleen of in groepjes. Broedt in kolonies op kustrotsen en eilanden, in bomen langs of in water, op dode bomen in stuwmeren en op elektriciteitsmasten; het nest is een grote hoop stokken of zeewier.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over het hele gebied verspreid, langs de hele kust van Angola via Namibië en Zuid-Afrika tot Mozambique, en in het binnenland op grote wateren in Zuid-Afrika, Lesotho, Eswatini, Zimbabwe, Botswana, Zambia en Malawi, zoals het Karibameer, de Okavangodelta en het Malawimeer. Ontbreekt in de droogste delen zonder permanent water. Daarbuiten van oostelijk Afrika tot Europa, Azië, Australië en Nieuw-Zeeland en de noordoostkust van Noord-Amerika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Aan de kust het makkelijkst op rotsen en pieren bij Walvisbaai, Langebaan en het Kaapse Schiereiland; bij Stony Point broedt hij naast de drie andere zee-aalscholvers van de Kaap. In het binnenland op stuwmeren, waar hij op dode boomstammen in het water broedt en rust. Let op de witte borst en de forse snavel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en wijdverspreid. De aanleg van stuwmeren en visteelt heeft de binnenlandse populatie in delen van het gebied doen toenemen. Plaatselijk bedreigd door verstoring van kolonies, olievervuiling aan de kust, verdrinking in visnetten en vervolging door vissers en viskwekers.

Wetenschappelijke naam

Phalacrocorax carbo | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Pelecanus Carbo; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phalacrocorax werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Phalacrocorax is de Latijnse vorm van het Griekse phalakrokorax, van phalakros 'kaal' en korax 'raaf'. carbo is Latijn voor 'houtskool', naar het zwarte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de noordelijke Atlantische Oceaan.