Alle soorten › Genten en aalscholvers › Slangenhalsvogels › Afrikaanse slangenhalsvogel
Afrikaanse slangenhalsvogel | Anhinga rufa
African Darter | Anhinga Africana
De Afrikaanse slangenhalsvogel is een lange, slanke watervogel met een dunne, S-vormig geknikte hals en een dolkvormige snavel waarmee hij vissen onder water spietst. Hij zwemt vaak zo diep dat alleen de kronkelende hals boven water uitsteekt, wat hem de naam slangenhalsvogel geeft.
Geluid
Buiten de kolonie meestal zwijgend. Bij het nest een droog, ratelend gekwaak, krrr-krrr-krrr, en een krassend kok-kok-kok, bij verstoring een sissend geluid.
Opname: Lynette Rudman — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 80 cm, met een lange, waaiervormige staart en een opvallende knik in de hals ter hoogte van de zevende en achtste halswervel. Het mannetje is glanzend zwart met een roodbruine voorhals en een witte streep langs de zijkant van de hals; mantel en dekveren dragen lange, witgestreepte en lancetvormige veren. Het vrouwtje is bruiner, met een lichtere, bleek geelbruine hals en een minder scherpe witte halsstreep. Jonge vogels zijn lichtbruin met een zeemkleurige hals en onderdelen. De snavel is spits en geelbruin, zonder haak. Vliegt met gestrekte hals en uitgespreide staart, wisselt vleugelslagen af met zweven en cirkelt soms hoog op thermiek.
Verwarringssoorten
De aalscholver (Phalacrocorax carbo) en de Afrikaanse dwergaalscholver (Microcarbo africanus) hebben een kortere, rechte hals en een snavel met haak aan de punt, en zwemmen met het lichaam hoger in het water. In vlucht onderscheidt de slangenhalsvogel zich door de lange, smalle hals, de lange staart en de gewoonte op thermiek te zweven, wat aalscholvers zelden doen.
Leefgebied
Stilstaand en langzaam stromend zoet water met beschutte oevers en overhangende bomen of dood hout: meren, dammen, rivieren, moerassen en overstroomde vlakten, en plaatselijk estuaria en mangroven. Jaagt onder water op middelgrote vissen, die met een snelle uitval van de hals worden gespietst en aan de oppervlakte omhoog worden gegooid en ingeslikt. Rust op takken en rotsen, vaak met gespreide vleugels om te drogen, omdat het verenkleed water opneemt. Broedt in kolonies, dikwijls samen met reigers en aalscholvers, in bomen boven of langs water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Over het grootste deel van het gebied verspreid: algemeen in de Okavangodelta, langs de Zambezi en de Chobe, in Zimbabwe, Zambia, Malawi, Mozambique en het oosten van Zuid-Afrika, en in Angola; plaatselijk in het westen van Zuid-Afrika langs rivieren en dammen, en afwezig in de droogste delen van Namibië, de Karoo en de Kalahari. Verder over vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara, op Madagaskar en met kleine, geïsoleerde populaties in Irak en het zuiden van Turkije.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Langs elke bosrijke oever van een dam of rivier; de vogel verraadt zich door de hals die als een periscoop boven het water uitsteekt. Het best te bekijken op een vaste zitplaats met gespreide vleugels in de ochtendzon. In de Okavangodelta en langs de Chobe zitten de broedkolonies vaak in bomen langs de geulen, goed te zien vanaf een boot.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en wijdverspreid. Plaatselijk gaan aantallen achteruit door het droogleggen van wetlands, vervuiling, verstoring van broedkolonies en verdrinking in visnetten. De aanleg van stuwdammen heeft in delen van het gebied juist nieuw leefgebied geschapen.
Wetenschappelijke naam
Anhinga rufa | (Daudin, 1802)
Daudin beschreef de soort in 1802 als Plotus rufus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anhinga werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Anhinga gaat terug op een Tupi-naam uit Brazilië voor deze vogel; de vaak genoemde betekenis 'duivelsvogel' is niet zeker. rufa is Latijn voor 'roodbruin' — naar de roestbruine hals van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.
