Alle soorten › Genten en aalscholvers › Aalscholvers › Kaapse aalscholver

Kaapse aalscholver | Phalacrocorax capensis

Cape Cormorant | Cormorán del Cabo

De Kaapse aalscholver is de talrijkste zeevogel van de Benguelakust: kolonies van tienduizenden paren op de guano-eilanden en eindeloze linten vogels die laag over zee naar de visscholen vliegen. De soort is sterk afhankelijk van sardine en ansjovis, en de aantallen volgen de schommelingen in die visstand.

Kaapse aalscholver (Phalacrocorax capensis)
Foto: Dick Daniels (http://theworldbirds.org/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgend. In de kolonie een doorlopend, rauw gekras en gegorgel, en een schor gaa-gaa-gaa bij het landen en begroeten.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

Ongeveer 63 cm, middelgroot en slank, met een korte staart. Volwassen vogels zijn glanzend blauwzwart, met een felgele tot oranje keelhuid aan de snavelbasis die in de broedtijd het helderst is. Het oog is turkoois tot groen, met een blauwe oogring. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn bruin, met een lichtere, bruingrijze tot vuilwitte keel en borst en een doffere keelhuid. Vliegt in lange, golvende rijen dicht boven het water, vaak honderden tot duizenden vogels achter elkaar.

Verwarrings­soorten

De kustaalscholver (Phalacrocorax neglectus) is zwaarder, met een dof, wollig bruinzwart verenkleed, zwarte gezichtshuid en een tweekleurig oog. De aalscholver (Phalacrocorax carbo) is duidelijk groter met een zwaardere snavel, en volwassen vogels hebben een witte keel en borst. De kroonaalscholver (Microcarbo coronatus) is veel kleiner, met een lange staart en een kuif. Jonge Kaapse aalscholvers met een lichte borst kunnen op jonge aalscholvers lijken; let op het formaat en de fijnere snavel.

Leefgebied

Koude, voedselrijke kustwateren van de Benguelastroom en het westelijke deel van de Agulhasbank, meestal binnen enkele tientallen kilometers van de kust. Jaagt in grote groepen op scholen pelagische vis, vooral ansjovis en sardine, en in Namibië ook op grondels. Broedt in dichte kolonies op vlakke eilanden, kustrotsen, guanoplatforms en soms op pieren en scheepswrakken; het nest is een platte hoop zeewier, stokjes en veren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Broedt langs de westkust van Namibië en Zuid-Afrika, van de omgeving van Walvisbaai en Swakopmund tot het Kaapse Schiereiland en in kleiner aantal oostwaarts tot de Algoabaai; de grootste kolonies liggen op de eilanden en guanoplatforms van Namibië en de Zuid-Afrikaanse westkust. Buiten de broedtijd zwermen vogels langs de kust uit, in het westen tot in Angola en in het oosten tot KwaZulu-Natal en soms het zuiden van Mozambique. Komt nergens anders ter wereld voor.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vanaf de kust bij Lambertsbaai, Saldanhabaai, Kaappunt of Walvisbaai zie je in de ochtend en de middag de lange linten vogels die van de rustplaatsen naar zee trekken. Boven een school vis storten zich soms duizenden vogels tegelijk in het water, vaak samen met Kaapse jan-van-genten. De guanoplatforms bij Walvisbaai en Swakopmund herbergen grote kolonies die vanaf de kust te zien zijn.

Staat van instandhouding

Bedreigd. Het wereldbestand is in drie generaties sterk afgenomen, van ruim honderdduizend paren tot een fractie daarvan in slechte jaren. De belangrijkste oorzaken zijn de ineenstorting en verschuiving van de sardinestand door overbevissing en veranderingen in de Benguelastroom, herhaalde uitbraken van vogelcholera en vogelgriep in de kolonies, olievervuiling, verstoring en predatie door Kaapse pelsrobben en meeuwen. Met olie besmeurde en verzwakte vogels worden door SANCCOB opgevangen en gerevalideerd.

Wetenschappelijke naam

Phalacrocorax capensis | (Sparrman, 1788)

Sparrman beschreef de soort in 1788 als Pelecanus capensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phalacrocorax werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Phalacrocorax is de Latijnse vorm van het Griekse phalakrokorax, van phalakros 'kaal' en korax 'raaf'. capensis is Latijn voor 'van de Kaap' — naar de Kaap de Goede Hoop, waar het eerste exemplaar werd verzameld. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Valsbaai, Kaap de Goede Hoop.