Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Afrikaans purperhoen
Afrikaans purperhoen | Porphyrio alleni
Allen's Gallinule | Calamón de Allen
Het Afrikaans purperhoen is een klein, kleurrijk purperhoen met een paarsblauwe kop en hals, een groene rug en een rode snavel. Het trekt met de regens naar pas overstroomde vloedvlakten en moerassen en is dan plaatselijk opvallend, daarna weer vrijwel onvindbaar.
Geluid
Een reeks snelle, harde, blaffende tonen, doek-doek-doek of kek-kek-kek, en een nasaal, hoog kiek. Bij opwinding een scherp gekakel. Vooral in de vroege ochtend en bij schemering te horen.
Opname: Mike Nelson — CC BY-NC-SA 3.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 25 cm, slank met lange tenen. Kop, hals en onderdelen zijn diep paarsblauw, de kop bijna zwart; rug en vleugels zijn olijf- tot bronsgroen. De onderstaart is wit met een zwart midden en valt op wanneer de vogel met de staart wipt. De snavel is helderrood; het voorhoofdsschild is in de broedtijd turkoois- tot kobaltblauw bij het mannetje en groenig bij het vrouwtje. Het oog en de poten zijn rood. Jonge vogels zijn lichtbruin met geschubde bovendelen, een lichte buik en een bruinige snavel; ze missen de blauwe tinten.
Verwarringssoorten
De purperkoet (Porphyrio porphyrio) is bijna twee keer zo groot, met een zware rode snavel en een rood schild. Het Amerikaans purperhoen (Porphyrio martinica) is groter, met een rode snavel met gele punt, een lichtblauw schild en gele poten; jonge vogels van beide soorten lijken op elkaar, maar de Amerikaanse heeft gele in plaats van roze of roodbruine poten. Jonge Afrikaanse purperhoenders kunnen verward worden met jonge Afrikaanse waterhoenders (Paragallinula angulata), die grijzer zijn, een witte flankstreep hebben en een gelige snavel.
Leefgebied
Dichte, ondiepe zoetwatermoerassen en seizoensgebonden overstroomde vloedvlakten met drijvende vegetatie, zoals waterlelies, en met riet, zeggen en overstroomd gras; ook rijstvelden en dammen met veel oevervegetatie. Loopt over drijvende planten en klimt in riet. Eet zaden, jonge scheuten en waterinsecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het regenseizoen vooral in het noorden en oosten van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, de Okavango en Chobe in Botswana en de Zambezi-regio van Namibië; in Zuid-Afrika schaars in het oosten (KwaZoeloe-Natal, Mpumalanga, Limpopo) en als dwaalgast verder zuidelijk en westelijk. Daarbuiten in grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara en op Madagaskar.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek in natte zomers, december tot maart, langs waterlelievelden en overstroomd gras in vloedvlakten, bijvoorbeeld in de Okavango en langs de Zambezi. De vogels zijn het best te zien vroeg in de ochtend, wanneer ze uit de dekking over lelieblad lopen en met de staart wippen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en in goede regenjaren plaatselijk algemeen. De aanwezigheid hangt sterk af van de overstroming van vloedvlakten; het verlies van seizoensgebonden moerassen en regulering van rivieren door stuwdammen tasten het leefgebied aan.
Wetenschappelijke naam
Porphyrio alleni | Thomson, 1842
Thomson beschreef de soort in 1842 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Porphyrio werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Porphyrio is Latijn, van het Griekse porphuriōn, bij de klassieke schrijvers de naam van het purperhoen, afgeleid van porphura 'purper'. alleni eert de Britse marineofficier William Allen (1792–1864). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Idah aan de Niger.
