Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Afrikaans waterhoen

Afrikaans waterhoen | Paragallinula angulata

Lesser Moorhen | Gallineta Chica

Het Afrikaans waterhoen is een kleinere, schuwere en slankere verwant van het waterhoen, die met de zomerregens naar tijdelijk overstroomde moerassen en vloedvlakten trekt. Hij is vooral te herkennen aan de gele snavel met een smalle rode rug.

Afrikaans waterhoen (Paragallinula angulata)
Foto: Mark Tittley — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een reeks zachte, snelle, holle tonen, tuk-tuk-tuk-tuk, soms aflopend, en een kort, nasaal pjoep. Veel minder luidruchtig dan het waterhoen en vooral in het broedseizoen te horen.

Luister: VluchtroepXC407075

Opname: Gary Allport — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 23 cm. De snavel is helder geel met een rode snavelrug die doorloopt in een klein, spits rood voorhoofdsschild. Het oog is rood en de poten zijn groengeel. Kop en hals zijn leigrijs, de rug donker olijfbruin, de flanken grijs met een smalle, soms onduidelijke witte streep en de onderstaart wit met een zwart midden. Het vrouwtje is bleker en grijzer, met een lichtere keel en een doffer schild. Jonge vogels zijn lichtbruin met een wittige keel en buik en een geelachtige snavel met een donkere rug.

Verwarrings­soorten

Het waterhoen (Gallinula chloropus) is duidelijk groter, heeft een grotendeels rode snavel met alleen een gele punt, een groter rond rood voorhoofdsschild en een brede, duidelijke witte flankstreep. Jonge waterhoenders zijn groter en grijzer dan jonge Afrikaanse waterhoenders. Het Afrikaans purperhoen (Porphyrio alleni) heeft een rode snavel, een blauw of groen schild en paarsblauwe en groene veren. Het zwart porseleinhoen (Zapornia flavirostra) is geheel zwart met een gele snavel en rode poten.

Leefgebied

Tijdelijk en seizoensgebonden overstroomde moerassen, vloedvlakten, rijstvelden en dammen met veel drijvende en opgaande vegetatie, zoals waterlelies, zeggen en overstroomd gras. Scharrelt verborgen langs de rand van dichte vegetatie en loopt over drijvende planten. Eet zaden, waterplanten, insecten en slakken. Broedt snel na het vollopen van een vlei.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het regenseizoen in het noorden en oosten van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, het noorden van Botswana en Namibië, en in Zuid-Afrika vooral in Limpopo, Mpumalanga, Gauteng en KwaZoeloe-Natal; in natte jaren verder naar het zuiden en westen, tot in de Vrijstaat en de Noordwest-provincie. Buiten het gebied in grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in een natte zomer, vanaf december, naar pas volgelopen vleien en vloedvlakten met waterlelies en overstroomd gras. De vogel komt vooral vroeg in de ochtend en laat in de middag even uit de dekking. Vergelijk bij twijfel de snavel: vrijwel geheel geel bij deze soort, vrijwel geheel rood bij het waterhoen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in goede regenjaren plaatselijk algemeen. De aantallen schommelen sterk met de regenval. Het leefgebied lijdt onder het droogleggen van seizoensgebonden moerassen, maar rijstbouw en nieuwe dammen bieden elders vervangend broedgebied.

Wetenschappelijke naam

Paragallinula angulata | (Sundevall, 1850)

Sundevall beschreef de soort in 1850 als Gallinula angulata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Paragallinula werd in 2015 ingevoerd door Sangster, García-R & Trewick. Paragallinula komt van het Griekse para, 'naast', en het geslacht Gallinula — naar de gelijkenis met, maar genetische afstand tot de echte waterhoenders. angulata is Latijn voor 'hoekig, met hoeken'; waar de naam op de vogel naar verwijst, is onduidelijk. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Umlazi-rivier, KwaZulu-Natal, Zuid-Afrika.