Alle soorten › Kraanvogelachtigen

Kraanvogelachtigen | Gruiformes

Cranes, rails and allies | Grullas y rálidos

Kraanvogels, rallen en vinpootkoeten lijken uiterlijk weinig op elkaar; ze worden vooral op moleculaire gegevens en op kenmerken van het skelet samengenomen. Wat ze delen is een bestaan op de bodem van moerassen, rietkragen, seizoenspannen en natte graslanden: lange poten met lange, ongewebde tenen die het gewicht verdelen over zachte modder en drijvende planten, een klein en hoog ingeplant achterteentje, brede ronde vleugels en een korte staart, zodat de poten in de vlucht voorbij het staarteinde steken. Veel soorten ruien de slagpennen in één keer en kunnen dan enkele weken niet vliegen. Het nest ligt op de grond of op een platform in de vegetatie; de jongen komen ziend en in donsjas uit het ei, verlaten het nest binnen enkele dagen en worden de eerste tijd nog door beide ouders gevoerd. In het halfdroge binnenland zijn verschillende soorten aan de regens gebonden: ze verschijnen binnen enkele weken op pannen en vleien die het grootste deel van het jaar droogliggen, en verdwijnen weer zodra die opdrogen.

Families in deze orde

  • Kraanvogels | Gruidae3 soortenGrote vogels met lange hals en lange poten die, anders dan reigers, met gestrekte hals vliegen; de verlengde binnenste armpennen hangen als een pluim over de staart en zijn bij sommige soorten tot slepende, haarfijne veren uitgegroeid. Bij de soorten van het geslacht Grus is de luchtpijp verlengd en in het borstbeen opgerold, wat de ver dragende trompettoon verklaart die een paar vaak in duet uitbrengt; de kroonkraanvogels missen die lus en laten in plaats daarvan een blazende, toeterende roep horen, versterkt door een rode keelzak. De snavel is recht en middellang: ze foerageren lopend over grasland, vlei, akker en ondergelopen vlakte, graven knollen en wortels op en pikken daarnaast zaad, insecten en kleine gewervelden. De achterteen is bij de meeste soorten klein en hoog ingeplant, zodat ze niet in bomen kunnen zitten; alleen de kroonkraanvogels hebben een lange, laag geplaatste achterteen en overnachten in boomtoppen. Het legsel bestaat uit één tot drie eieren op een hoop plantaardig materiaal in of naast ondiep water, en het jong blijft de eerste maanden bij de ouders.
  • Rallen | Rallidae14 soortenHet lichaam is zijdelings afgeplat, zodat de vogel zich tussen dicht riet en zeggen door kan wringen; de tenen zijn opvallend lang, bij de zwemmende soorten met gelobde zwemvliezen. De vleugels zijn kort en rond: over korte afstand vliegen ze fladderend en met bungelende poten, al trekken veel soorten 's nachts over grote afstanden. De korte staart wordt bij het lopen omhoog gewipt, waarbij de vaak lichte onderstaart opvalt, en de snavel loopt van kort en kegelvormig tot lang en dun, naar het voedsel dat gezocht wordt. Het nest is een kom van stengels en bladeren, verborgen boven ondiep water; de legsels zijn groot en de zwarte donsjongen volgen de ouders binnen een dag en worden snavel aan snavel gevoerd.
  • Futenkoeten | Heliornithidae1 soortEen kleine familie van drie soorten, elk in een ander werelddeel: de Afrikaanse futenkoet (Podica), de Aziatische maskerfutenkoet en de Zuid-Amerikaanse zonnefuut. Futenkoeten lijken op een kruising van fuut en aalscholver. Ze hebben een langgerekt lichaam, een lange, dunne hals en een puntige, rechte snavel. Toch horen ze bij de kraanvogelachtigen, en genetisch onderzoek wijst op een nauwe verwantschap met de dwergrallen (Sarothruridae). De tenen dragen brede lobben in plaats van zwemvliezen. Bij de Afrikaanse soort zijn ze, net als de poten, felrood tot oranje. Met die poten zwemmen ze krachtig en klimmen ze behendig over takken en wortels boven het water. Het zijn uiterst schuwe vogels van rustige, beschaduwde rivieren en beken met overhangende oevervegetatie. Ze zwemmen laag in het water, met knikkende kop, dicht langs de oever. Bij onraad duiken ze weg onder de begroeiing of vluchten ze klapwiekend en rennend over het water. Ze eten waterinsecten, krabben, slakken, kikkers en kleine vis, die ze van het wateroppervlak, van takken of op de oever pakken. Over het broeden is weinig bekend. De Afrikaanse futenkoet bouwt een nest van takjes en riet op een tak of op aangespoeld hout boven het water en legt meestal twee eieren. Bij de zonnefuut draagt het mannetje de jongen in huidplooien onder de vleugels mee.
  • Dwergrallen | Sarothruridae7 soortenEen Afrikaans-Malagassische familie die pas sinds kort los van de echte rallen (Rallidae) wordt gezien. Genetisch onderzoek toonde aan dat de dwergrallen eerder verwant zijn aan de futenkoeten. In dit gebied komen zeven soorten van het geslacht Sarothrura voor. Het zijn piepkleine, ronde ralletjes van nauwelijks spreeuwformaat, met een kort staartje en een dicht, zacht verenkleed. De seksen verschillen duidelijk. Mannetjes hebben meestal een kastanjebruine kop en borst en een zwart lichaam met fijne witte vlekjes of strepen. Vrouwtjes zijn onopvallend bruin met bandering. Dwergrallen leven verborgen in dichte moerasvegetatie, natte graslanden en de strooisellaag van bosranden. Ze behoren tot de moeilijkst waar te nemen vogels van Afrika. Ze lopen als muizen door de begroeiing en vliegen alleen kort en fladderend op, met hangende poten. Toch trekken enkele soorten over grote afstanden, zoals de Witvleugeldwergral tussen Ethiopië en Zuid-Afrika. Ze eten kleine insecten, spinnen, wormen, slakjes en zaden, die ze van de grond en uit het strooisel pikken. Het nest is een kom of koepel van grassen, laag in de vegetatie, met twee tot vijf witte eieren. Vaak verraden alleen de roepen hun aanwezigheid: ver dragende reeksen holle hoe-tonen, fluitjes of kreunende geluiden, vooral bij schemer, 's nachts en bij bewolkt weer.