Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Purperkoet

Purperkoet | Porphyrio porphyrio

Purple Swamphen | Calamón Común

De purperkoet is de grootste ral van zuidelijk Afrika: een forse, paarsblauwe moerasvogel met een zware rode snavel, een rood voorhoofdsschild en lange rode poten. Hij klimt door rietkragen en houdt voedsel als een papegaai in één poot vast.

Purperkoet (Porphyrio porphyrio)
Foto: Twain Glas — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Luid en gevarieerd: een snerpend, nasaal gekrijs, een diep gebrom en gegrom, een reeks kakelende tonen en een trompetterend kwaaark, vaak in duet. Ook 's nachts roepend.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1103461

Opname: Thierry THOMAS — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 46 cm, zwaar gebouwd. Kop, hals en onderdelen zijn diep paarsblauw, keel en borst helderder kobaltblauw; rug en vleugels zijn groenig tot olijfbruin met een blauwe glans. De onderstaart is helderwit en valt op bij het staartwippen. De snavel is kort, hoog en scharlakenrood en loopt over in een groot rood voorhoofdsschild. Poten en tenen zijn lang en roze- tot oranjerood. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn doffer grijsblauw met een lichtere keel en een donkere snavel met weinig rood.

Verwarrings­soorten

Het Afrikaans purperhoen (Porphyrio alleni) en het Amerikaans purperhoen (Porphyrio martinica) zijn veel kleiner en slanker, met een kleine snavel en een blauw, groen of lichtblauw schild. Het waterhoen (Gallinula chloropus) is kleiner, donker grijsbruin met een gele snavelpunt en een witte flankstreep. De knobbelmeerkoet (Fulica cristata) is leigrijs met een witte snavel en wit schild.

Leefgebied

Uitgestrekte, permanente rietvelden en papyrus- en lisdoddemoerassen langs meren, dammen, rivieren en in vloedvlakten, bij voorkeur met ondiep open water ernaast. Eet vooral zachte stengels en scheuten van riet en lisdodde, die hij met de poot vasthoudt, maar ook eieren, jonge vogels, kikkers en slakken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverspreid maar plaatselijk in het hele gebied waar geschikte rietmoerassen liggen: in Zuid-Afrika vooral in het oosten en op het Hoogveld, langs de zuidkust en in de West-Kaap; verder in Eswatini, Mozambique, Zimbabwe, Zambia, Malawi, de Okavango en Chobe in Botswana, het noorden van Namibië en Angola; ontbreekt in de droge binnenlanden. De Afrikaanse populatie wordt ook wel als aparte soort, de Afrikaanse purperkoet, beschouwd; het complex komt verder voor van Zuid-Europa tot Madagaskar, Azië en Australië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond langs grote rietkragen, het best vroeg in de ochtend wanneer de vogels aan de rand van het riet foerageren of over lage vegetatie lopen. Kijk vanuit een schuilhut bij een rietmoeras; de witte onderstaart en de felrode snavel verraden de vogel ook als hij half in de dekking staat.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en plaatselijk algemeen. Gevoelig voor het droogleggen en afbranden van rietmoerassen; rioolzuiveringsvijvers en dammen met rietkragen bieden vervangend leefgebied.

Wetenschappelijke naam

Porphyrio porphyrio | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fulica Porphyrio; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Porphyrio werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Porphyrio is Latijn, van het Griekse porphuriōn, bij de klassieke schrijvers de naam van het purperhoen, afgeleid van porphura 'purper'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de kusten van de westelijke Middellandse Zee.