Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Afrikaanse bonte kwikstaart
Afrikaanse bonte kwikstaart | Motacilla aguimp
African Pied Wagtail | Lavandera Africana
De Afrikaanse bonte kwikstaart is de grootste kwikstaart van het gebied, contrastrijk zwart en wit, en hoort bij brede rivieren met zandbanken, dammen en dorpen aan het water. Hij is vrij tam en foerageert op erven, marktpleinen en rivierstrandjes.
Geluid
Een luide, heldere zang, een lange reeks fluitende en trillende tonen, tsjie-tsjie-tsjuwie-tsjuwie, van daken en rotsen, ook buiten de broedtijd. De roep is een hoog tsjizik.
Opname: Corné_29 — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
19 tot 21 cm. Kop, rug en een brede borstband zijn diep zwart; een brede witte wenkbrauwstreep loopt van de snavel tot ver achter het oog, en keel, halszijde en onderdelen zijn wit. De vleugel heeft een grote witte vlek op de dekveren die ook zittend opvalt. De staart is zwart met witte buitenpennen. De seksen zijn vrijwel gelijk; het vrouwtje is iets grijzer op de rug. Jonge vogels zijn bruingrijs in plaats van zwart, met dezelfde witte vleugelvlek.
Verwarringssoorten
De Kaapse kwikstaart (Motacilla capensis) is kleiner en grijsbruin, met een smalle borstband en zonder witte vleugelvlek; let daarop vooral bij jonge bonte kwikstaarten. De bergkwikstaart (Motacilla clara) is blauwgrijs met een dunne borstband en veel slanker en langer gestaart. De witte kwikstaart (Motacilla alba), een zeer zeldzame dwaalgast, heeft een grijze rug, een wit voorhoofd en gezicht en een kleinere witte vleugeltekening.
Leefgebied
Brede rivieren met zandbanken en rotsen, oevers van meren en dammen, riviermondingen, en dorpen, kampen en lodges langs het water; plaatselijk ook in steden. Foerageert op insecten op de grond en langs de waterlijn. Nestelt in gaten in oeverwallen, tussen aangespoeld hout, in muren en onder daken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Wijdverspreid in het noorden en oosten: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe en het noorden van Botswana en Namibië (Okavango, Chobe, Kunene en de Zambezi-regio). In Zuid-Afrika vooral in het noorden en oosten (Limpopo, Mpumalanga en KwaZulu-Natal) en in Eswatini, verder langs de Oranjerivier naar het westen; schaars en plaatselijk in het zuiden, waar de soort zich uitbreidt. Afwezig in de droogste delen van het westen. Daarbuiten over grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Langs de Zambezi, de Chobe en de Okavango is hij bij elke lodge en aanlegsteiger te vinden. Let bij jonge vogels op de witte vleugelvlek: die onderscheidt ze direct van de Kaapse kwikstaart. De zang is luid en gevarieerd en wordt vaak vanaf een dak gebracht.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en algemeen, met een groot areaal; profiteert plaatselijk van dammen en bebouwing langs het water.
Wetenschappelijke naam
Motacilla aguimp | Temminck, 1820
Temminck beschreef de soort in 1820 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Motacilla werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Motacilla was bij de Romeinen de naam van de kwikstaart; het is eigenlijk een verkleinvorm van motare 'heen en weer bewegen', maar sinds de middeleeuwen werd -cilla ten onrechte als 'staart' opgevat. aguimp is de naam die de Nama volgens Levaillant voor deze vogel gebruikten: twee lettergrepen met elk een klik, met de betekenis 'oeverloper'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit benedenloop van de Oranjerivier.

