Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Gele kwikstaart

Gele kwikstaart | Motacilla flava

Western Yellow Wagtail | Lavandera Boyera

De gele kwikstaart is een Palearctische trekker die in de zuidelijke zomer in groepen op natte graslanden, oevers en weiden verblijft, vaak tussen de poten van grazend vee. Van de vele rassen die hier overwinteren zijn de mannetjes aan het eind van de zomer, als ze in broedkleed komen, vaak aan de kopkleur te herkennen.

Gele kwikstaart (Motacilla flava)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een ijl, doorgetrokken tswiep of psiie, vaak in de vlucht en bij het opvliegen van groepen; zo verraden overtrekkende vogels zich. De zang, soms in maart te horen, is een eenvoudig, krassend tsrie-tsrip.

Luister: VluchtroepXC1168415

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16 tot 18 cm, met een kortere staart dan de andere kwikstaarten. Rug olijfgroen, onderdelen geel, poten zwart, twee smalle lichte vleugelstrepen. Van november tot februari dragen veel vogels een dof kleed: olijfbruin van boven, vuilwit tot lichtgeel van onder; eerstejaars zijn soms vrijwel zonder geel, met een donkere keelband van vlekjes. Vanaf februari–maart ruien mannetjes naar het broedkleed, met per ras een andere kop: blauwgrijs met witte wenkbrauw (flava), donker leigrijs zonder wenkbrauw (thunbergi), geelgroen (lutea) of zwart (feldegg). Vrouwtjes zijn doffer, met een lichte wenkbrauw.

Verwarrings­soorten

De citroenkwikstaart (Motacilla citreola), een uiterst zeldzame dwaalgast, heeft een grijze rug, brede witte vleugelstrepen en in elk kleed een lichte omlijning van de oorstreek. De grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea) heeft een grijze rug, een veel langere staart en vleeskleurige poten en leeft langs beken. Jonge Kaapse kwikstaarten (Motacilla capensis) met een gelige zweem hebben een bruinere rug en de aanzet van een borstband. De geelkeellangklauw (Macronyx croceus) is veel groter en zwaarder, met een gestreepte rug en een zwarte borstband.

Leefgebied

Kort, nat grasland, vleien, overstroomde weiden, oevers van dammen en pannen, sportvelden en irrigatieakkers. Volgt grazend vee en vangt de opgejaagde insecten. Slaapt in groepen in riet- en papyrusvelden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Het talrijkst in het noorden: Zambia, Malawi, Angola, de Okavango en Chobe in Botswana, de Zambezi-regio in Namibië, Zimbabwe en Mozambique. Zuidelijker schaarser; in Zuid-Afrika vooral in het noorden en oosten (Limpopo, Mpumalanga, Gauteng en KwaZulu-Natal) en plaatselijk tot in de Kaap. Broedt in Europa, Noord-Afrika en West-Azië tot West-Siberië en overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bekijk groepen vooral in maart, wanneer de mannetjes in broedkleed komen en de rassen te onderscheiden zijn. Zoek bij vee op natte weiden en bij waterzuiveringen. Grijze eerstejaars verdienen een tweede blik: tussen hen kan een citroenkwikstaart schuilgaan.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In Europa plaatselijk sterk afgenomen door intensivering van de landbouw en het verdwijnen van natte graslanden, maar de soort als geheel is talrijk.

Wetenschappelijke naam

Motacilla flava | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Motacilla voerde hij in datzelfde werk in. Motacilla was bij de Romeinen de naam van de kwikstaart; het is eigenlijk een verkleinvorm van motare 'heen en weer bewegen', maar sinds de middeleeuwen werd -cilla ten onrechte als 'staart' opgevat. flava is Latijn voor 'goudgeel', naar de gele onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Zweden.