Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Grote gele kwikstaart

Grote gele kwikstaart | Motacilla cinerea

Grey Wagtail | Lavandera Cascadeña

De grote gele kwikstaart is een schaarse Palearctische trekker die in het noorden en oosten van het gebied overwintert langs snelstromende beken en rivieren. De zeer lange, onophoudelijk wippende staart en de combinatie van grijze rug en gele onderstaart maken hem ook op afstand herkenbaar.

Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea)
Foto: Nrik kiran — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een scherp, metalig tsisit of tsjie-tsiet, hoger en harder dan de roep van de gele kwikstaart, vaak in de vlucht langs de beek. In het overwinteringsgebied is zang zelden te horen.

Luister: ZangXC1134963

Opname: Shaun Micklewright — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

18 tot 19 cm, met de langste staart van de gele kwikstaarten. De bovendelen zijn leigrijs, de stuit en bovenstaartdekveren helder geelgroen. Witte wenkbrauw- en baardstreep. In het winterkleed zijn de onderdelen bleekgeel tot wittig, met helder gele onderstaartdekveren; mannetjes krijgen vanaf februari een zwarte keel. De vleugels zijn zwartachtig, met in de vlucht een witte vleugelstreep. De poten zijn vleeskleurig, niet zwart.

Verwarrings­soorten

De gele kwikstaart (Motacilla flava) heeft een groene of olijfbruine rug, een kortere staart en zwarte poten, en leeft in groepen op grasland en oevers, niet langs bosbeken. De bergkwikstaart (Motacilla clara) heeft geen geel, wel een zwarte borstband en een wit vleugelpaneel. De Kaapse kwikstaart (Motacilla capensis) is bruiner, met een borstband en zonder geel op stuit en onderstaart.

Leefgebied

Rotsige, snelstromende beken en rivieren, vaak in bos, bergkloven en bij watervallen; ook overlopen van dammen, stuwen en waterzuiveringen. Meestal solitair en vaak trouw aan een vaste overwinteringsplek.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Overwintert in klein aantal in Malawi, het noorden en oosten van Zambia, de Eastern Highlands van Zimbabwe en het midden van Mozambique. In Zuid-Afrika zeldzaam, maar jaarlijks, vooral in KwaZulu-Natal, Mpumalanga en de Oost- en West-Kaap; dwaalgast in Namibië en elders in het westen. Broedt in Europa, Noordwest-Afrika en een groot deel van Azië, en overwintert tot in Oost-Afrika en Zuid- en Zuidoost-Azië.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek bij watervallen en stroomversnellingen in de Eastern Highlands, op het Nyika-plateau of op Mulanje. In Zuid-Afrika keren overwinteraars soms jaren achtereen naar dezelfde plek terug. Controleer bij elke gele kwikstaart langs een beek de pootkleur en de staartlengte.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Groot areaal en stabiele populatie; het gebied ligt aan de zuidrand van het overwinteringsgebied.

Wetenschappelijke naam

Motacilla cinerea | Tunstall, 1771

Tunstall beschreef de soort in 1771 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Motacilla werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Motacilla was bij de Romeinen de naam van de kwikstaart; het is eigenlijk een verkleinvorm van motare 'heen en weer bewegen', maar sinds de middeleeuwen werd -cilla ten onrechte als 'staart' opgevat. cinerea is Latijn voor 'asgrauw', van cinis 'as', naar de grijze bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Wycliffe in Engeland.