Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Afrikaanse bosuil

Afrikaanse bosuil | Strix woodfordii

African Wood Owl | Cárabo Africano

De Afrikaanse bosuil is de uil van het Afrikaanse bos: een middelgrote, ronde uil zonder oorpluimen, met donkere ogen en een bleke gezichtssluier. Hij is veel vaker te horen dan te zien; het ritmische duet van het paar is een van de bekendste nachtgeluiden van bossen in Oost- en Zuidelijk Afrika.

Afrikaanse bosuil (Strix woodfordii)
Foto: Lip Kee Yap — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje roept een snelle, ritmische reeks hoeptonen, hoo, hu-hu-hoo, hu-hoo, het vrouwtje antwoordt met een hoger, oplopend hoo-eet; samen vormen ze een levendig duet. Verder een schril, rekkend gekrijs bij contact. Roept vooral kort na zonsondergang en voor zonsopgang, maar ook overdag bij verstoring.

Luister: ZangXC877570

Opname: Stein Ø. Nilsen — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

30–36 cm. Warm donkerbruin tot chocoladebruin van boven, met witte vlekken op de schouders en gebandeerde slagpennen. De onderzijde is wit of roomkleurig met dichte, rossig bruine dwarsbandering. De gezichtssluier is lichtbruin met fijne concentrische bandjes en witte wenkbrauwen die samen een V boven de snavel vormen. De ogen zijn groot en donkerbruin, de snavel geel en de oogleden roze tot rood. Er zijn geen oorpluimen. Het vrouwtje is gemiddeld groter en vaak roestiger van tint. Jonge vogels zijn donzig en bleek gebandeerd.

Verwarrings­soorten

De Afrikaanse velduil Asio capensis is een vogel van open moeras en grasland, effen bruin met korte oorpluimen en jaagt ook in de schemering boven open terrein. De kerkuil Tyto alba heeft een witte, hartvormige sluier en veel lichtere onderzijde. De Kaapse dwerguil Glaucidium capense is veel kleiner en heeft gele ogen. De combinatie van donkere ogen, ronde kop zonder pluimen en dwarsgebandeerde onderzijde is kenmerkend.

Leefgebied

Bos van allerlei soort: afromontaan bos, kust- en laaglandbos, oeverbos, dicht bosveld en oude plantages van exoten, ook grote tuinen en parken met hoge bomen. Overdag rust de vogel dicht tegen de stam in dicht gebladerte. Het voedsel bestaat vooral uit grote insecten, verder uit kleine knaagdieren, vogels en kikkers. Broedt in een holte in een boom, soms op de grond tussen wortels.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In Zuid-Afrika van de zuidkust (Garden Route) oostwaarts door de Oost-Kaap en KwaZoeloe-Natal tot Mpumalanga en Limpopo, verder Eswatini, Mozambique, oostelijk en noordelijk Zimbabwe, noordelijk Botswana (Okavango en Chobe), de Zambezi-regio van Namibië, Zambia, Malawi en Angola. Ontbreekt in het droge westen en in de open Hoogveld-graslanden. Buiten het gebied over een groot deel van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga bij valavond naar de rand van een bos of een oeverbos en luister naar het duet; de vogel komt goed af op een imitatie van de roep en gaat dan vaak op een open tak in de lichtbundel zitten. In lodges en bosrijke tuinen in het oosten van het gebied roest hij soms jarenlang op dezelfde plek. Kleine vogels die overdag alarm slaan in dicht gebladerte kunnen een rustende bosuil verraden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en wijdverspreid; in geschikt bos vaak algemeen. Plaatselijk verdwijnt de soort door kap van inheems bos. Aanvaringen met verkeer en vergiftiging via rattengif komen voor, maar hij past zich goed aan aan tuinen en oude plantages.

Wetenschappelijke naam

Strix woodfordii | (Smith, 1834)

Smith beschreef de soort in 1834 als Noctua Woodfordii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Strix werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Strix is het Latijnse woord voor 'uil'; in de klassieke overlevering was de strix een nachtvogel die het bloed van zuigelingen zou drinken. woodfordii eert kolonel E.J.A. Woodford, Brits militair uit de Napoleontische oorlogen en natuuronderzoeker. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Afrika.