Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Verreauxs oehoe
Verreauxs oehoe | Ketupa lactea
Verreaux's Eagle-Owl | Búho Lechoso
Verreauxs oehoe is de grootste uil van Afrika. Hij is bleek grijsbruin en fijn gemarmerd, met donkerbruine ogen — geen gele — en roze oogleden die bij elke knipoog oplichten. Overdag zit hij hoog in een grote boom tegen de stam gedrukt.
Geluid
Een diepe, resonerende reeks knorrende hoeptonen, hunk-hunk, laag van toon en ver dragend; de reeks begint krachtig en sterft langzaam weg. Paren roepen in duet, waarbij het vrouwtje hoger klinkt dan het mannetje. Jonge vogels bedelen met een langgerekt, hijgend gekrijs dat de hele nacht kan doorgaan.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.
Herkenning
58–66 cm, spanwijdte tot ruim anderhalve meter. Bleek grijsbruin, van boven fijn gemarmerd, van onderen witgrijs met fijne grijze golfbandering. De gezichtssluier is lichtgrijs met een zwarte rand; de oogleden zijn roze en de ogen donkerbruin. De oorpluimen zijn breed en worden vaak zijwaarts of plat gedragen. De snavel is hoorngrijs, de poten zijn tot aan de tenen bevederd. Het vrouwtje is groter en zwaarder dan het mannetje, met hetzelfde kleed. Jonge vogels zijn witter en donziger, met een minder afgetekende sluier. De vlucht is zwaar en traag, met diepe vleugelslagen en lange glijstukken.
Verwarringssoorten
De Afrikaanse oehoe Bubo africanus is veel kleiner, heeft gele ogen en een grover gebandeerde onderzijde. De Kaapse oehoe Bubo capensis heeft oranje ogen en grove donkere vlekken op de borst. Pels visuil Scotopelia peli is roestbruin en gebandeerd, zonder oorpluimen. De combinatie van donkerbruine ogen en roze oogleden komt bij geen andere uil van het gebied voor.
Leefgebied
Savanne en breedbladig bos, doornveld, oeverbossen en de randen van halfwoestijn waar grote bomen staan; mijdt gesloten bos en kale woestijn. Overdag rust de vogel in een grote schaduwrijke boom, vaak op een dikke horizontale tak tegen de stam. Broedt in oude nesten van hamerkop, secretarisvogel, gieren en arenden, of in een dikke boomvork.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Wijd verspreid door de savannegordel van het gebied: het noorden en oosten van Zuid-Afrika, Eswatini, Mozambique, Zimbabwe, Botswana, noordelijk Namibië, Zambia, Malawi en Angola. Ontbreekt in het winterregengebied van het zuidwesten, in de kern van de Karoo en in de droogste Namib. Buiten het gebied over vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het eerste uur na zonsondergang bij een oeverbos met grote vijgen- of doornbomen; luister naar de lage, knorrende hoeptonen en zoek de vogel daarna met een lamp op een open zijtak. Overdag verraadt een roestplaats zich door braakballen en witte spatten onder een grote boom. Tijdens een nachtrit in een wildreservaat zit de vogel vaak op een paal of een kale tak langs de weg.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en over een groot gebied verspreid, maar overal in lage dichtheid. Aanvaringen met voertuigen en hoogspanningsdraden, vergiftiging via rattengif en landbouwgif, verdrinking in veedrinkbakken, vervolging op grond van traditionele opvattingen en het verdwijnen van grote nestbomen zijn de gemelde oorzaken van sterfte.
Wetenschappelijke naam
Ketupa lactea | (Temminck, 1820) (GBIF: Bubo lacteus)
Temminck beschreef de soort in 1820 als Strix lactea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ketupa werd in 1830 ingevoerd door Lesson. Ketupa komt van het Maleise ketupok, een naam voor de Maleise visuil; het geslacht is later uitgebreid met de Afrikaanse oehoes waaronder Verreauxs oehoe. lactea is Latijn voor 'melkachtig', naar de bleke, grijswitte kleur van het verenkleed, lichter dan bij de meeste andere Afrikaanse oehoes. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.
