Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Kleine visuil

Kleine visuil | Scotopelia bouvieri

Vermiculated Fishing Owl | Cárabo Pescador Vermiculado

De kleine visuil is een middelgrote, oorpluimloze uil van rivieren in het Centraal-Afrikaanse regenwoud, in het gebied alleen bekend uit Angola. Hij is kleiner, bleker en fijner getekend dan Pels visuil en een van de minst bekende uilen van Afrika.

Kleine visuil (Scotopelia bouvieri)
Foto: Tom Field — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een diepe, grommende kreet, krooo-oo, en een reeks lage, vallende hoeptonen die op het roepen van een duif of een oehoe lijken. Het vrouwtje heeft een hogere, schorre bedelroep; ook een fluitend iiiuh is beschreven. Roept vooral in het eerste deel van de nacht.

Luister: ZangXC745595

Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

46–51 cm. Van boven roodbruin tot kaneelbruin met fijne donkere golflijntjes (vermiculatie), van onderen wit tot roomwit met scherpe, smalle donkerbruine lengtestrepen op borst en buik. De kop is rond en zonder oorpluimen, maar de losse kruinveren kunnen een ruige, wat vierkante kop geven. De ogen zijn donkerbruin, de snavel geelachtig hoornkleurig en de onbevederde poten bleekgeel. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn witter en donziger, met een lichte kop.

Verwarrings­soorten

Pels visuil Scotopelia peli is veel groter en zwaarder, warm roestbruin met pijlvormige vlekken en dwarsbandering op de onderzijde in plaats van lengtestrepen. De Afrikaanse bosuil Strix woodfordii is kleiner, heeft een duidelijke gezichtssluier met witte wenkbrauwen en een dwarsgebandeerde onderzijde. De Afrikaanse oehoe Bubo africanus heeft oorpluimen en gele ogen.

Leefgebied

Langzaam stromende rivieren en beken met overhangende bomen in laaglandregenwoud en galerijbos, ook langs smalle bosstroompjes die voor Pels visuil te klein zijn. Jaagt vanaf een lage tak boven het water op vis, kikkers en krabben, en vangt ook insecten en kleine zoogdieren op de oever.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het noorden en noordwesten van Angola, in de galerijbossen van de Congo-rand en de noordelijke escarpmentbossen; de status in het uiterste noordwesten van Zambia is onduidelijk. Buiten het gebied door het Centraal-Afrikaanse regenwoud, van het zuiden van Nigeria en Kameroen via Gabon en beide Congo's tot in de Centraal-Afrikaanse Republiek, met geïsoleerde vondsten verder oostelijk.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Een vogel om gericht voor op pad te gaan: zoek in Noord-Angola een rustige bosrivier met veel overhangende takken en luister na zonsondergang naar de lage grommende roep. Met een lamp langzaam langs de oever zoeken; de vogel zit laag en dicht bij het water. Overdag rust hij verscholen in dicht gebladerte en is dan vrijwel onvindbaar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd op de Rode Lijst, maar slecht bekend en weinig waargenomen; de werkelijke aantallen en de verspreiding zijn nauwelijks onderzocht. Houtkap langs rivieren, vervuiling en verstoring van het water door mijnbouw en de achteruitgang van regenwoud zijn mogelijke bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Scotopelia bouvieri | Sharpe, 1875

Sharpe beschreef de soort in 1875 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Scotopelia werd in 1850 ingevoerd door Bonaparte. Scotopelia combineert het Griekse skotos, 'duisternis', met het epitheton van Strix peli, de visuil waarvoor het geslacht werd opgericht — een 'nachtelijke Pel-uil'. bouvieri eert de Franse zoöloog en natuurhistorisch handelaar Aimé Bouvier (1844–1919). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Lopé, Ogooué-rivier, Gabon.