Alle soorten › Eendachtigen › Eenden en ganzen › Afrikaanse dwerggans

Afrikaanse dwerggans | Nettapus auritus

African Pygmy Goose | Gansito Africano

De Afrikaanse dwerggans is de kleinste eend van het gebied: een juweel van een watervogel met een wit gezicht, een groene oorvlek en een oranjebruine borst, die tussen de bladeren van waterlelies bijna onzichtbaar blijft. Het is geen echte gans maar een kleine, in bomen broedende eend met een korte, ganzenachtige snavel.

Afrikaanse dwerggans (Nettapus auritus)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje geeft een zacht, piepend en fluitend getjilp, tsjoe-tsjoe-pie-wie, vooral bij het opvliegen; het vrouwtje een zwak gekwaak. Meestal stil.

Luister: RoepXC267474

Opname: Andrew Spencer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

30–33 cm, met een korte, hoge snavel. Het mannetje heeft een wit gezicht met een zwart omrande, glanzend appelgroene vlek aan de zijkant van de hals, een donkergroene kruin en rug, een oranjebruine borst en flanken en een witte buik; de snavel is felgeel met een zwarte punt. Het vrouwtje is doffer, met een grijs gevlekt gezicht, een donkere oogstreep, geen groene halsvlek en een minder felle snavel. In de vlucht, snel en laag, valt een witte vlek op de armpennen op tegen de donkergroene vleugel. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

In het gebied geen echte verwarring mogelijk. De gouden taling Spatula hottentota is even klein en komt in hetzelfde leefgebied voor, maar heeft een donkere kruin boven een roomkleurig gezicht, een blauwe snavel en geen groen of oranje. Vrouwtjes van de knobbeleend Sarkidiornis melanotos zijn veel groter en zwart-wit zonder oranje tinten.

Leefgebied

Rustige, heldere zoete wateren met veel drijvende vegetatie, vooral waterlelies: lagunes, geïsoleerde pannen, rustige rivierarmen en dammen met open water en randbegroeiing. Eet vooral zaden van waterlelies, verder andere waterplanten en kleine ongewervelden, grondelend tussen de bladeren. Nestelt in boomholten, in oude nesten van hamerkoppen of spechten en soms in termietenheuvels, tot een eind van het water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Plaatselijk in het noorden en oosten van het gebied: de Okavango, de Kwando, de Linyanti en de Chobe, de Zambezistrook van Namibië, Zimbabwe, Zambia, Malawi, Mozambique en Angola, en in Zuid-Afrika in het noorden van KwaZulu-Natal, Mpumalanga en Limpopo; ontbreekt in het droge westen en zuiden. Buiten het gebied in grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara en op Madagaskar.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek bij kalm weer de randen van waterleliebedden af, bij voorkeur vanuit een boot of een mokoro in de Okavango, of op de pannen van Zululand. De vogels liggen stil tussen de bladeren en vallen pas op als het mannetje de kop draait en het witte gezicht toont. Bij verstoring zwemmen ze eerder weg tussen de planten dan dat ze opvliegen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar in Zuid-Afrika schaars en achteruitgaand door het verdwijnen van waterlelies, het droogleggen van pannen en het kappen van oude bomen met holten. In de grote moerassen van de Okavango en de Zambezi nog algemeen.

Wetenschappelijke naam

Nettapus auritus | (Boddaert, 1783)

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Anas aurita; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Nettapus werd in 1836 ingevoerd door Brandt. Nettapus komt van het Griekse nētta, 'eend', en pous, 'voet' — 'eendenvoet', voor deze kleine, ganzachtige eenden. auritus is Latijn voor 'geoord', naar de groene, oorvormige vlek aan de zijkant van de kop van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Madagaskar.