Alle soorten › Eendachtigen › Eenden en ganzen › Knobbeleend

Knobbeleend | Sarkidiornis melanotos

Knob-Billed Duck | Pato Crestudo Afroasiático

De knobbeleend is een grote, zwart-witte eend van pannen en overstroomde vlakten in de savanne, die even vaak in bomen zit als op het water. Het mannetje draagt een opvallende zwarte knobbel op de snavel, die in de broedtijd sterk opzwelt. De soort verschijnt met de regens en verdwijnt als de pannen droogvallen.

Knobbeleend (Sarkidiornis melanotos)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. In de broedtijd geeft het mannetje een laag, hees gegrom en gefluit, en in de vlucht is soms een schor kwak te horen; het vrouwtje kwaakt zacht.

Luister: RoepXC150138

Opname: vir joshi — CC BY-NC-SA 3.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

56–76 cm; het mannetje is veel groter dan het vrouwtje. De kop en hals zijn wit met dichte zwarte spikkels, de onderzijde wit, soms met een gele tint op de halszijden; de flanken zijn lichtgrijs. De bovendelen en vleugels zijn zwart met een blauwgroene en bronzen glans. Het mannetje heeft een grote, ronde zwarte knobbel boven op de snavel, het vrouwtje niet. In de vlucht zijn de vleugels geheel zwart, zonder wit vlak. Jonge vogels zijn bruin met een lichte wenkbrauw en een donkere oogstreep, en lichtbruin van onderen.

Verwarrings­soorten

De spoorwiekgans Plectropterus gambensis is groter en grotendeels zwart, met een rode snavel, roze poten en een wit vlak op de voorvleugel. Jonge knobbeleenden kunnen aan een vrouwtje van de rosse fluiteend Dendrocygna bicolor of andere bruine eenden doen denken, maar hebben een donkere oogstreep en al snel de donkere, glanzende vleugels.

Leefgebied

Pannen, vleien, overstroomde vlakten, rivieren en dammen in bosrijke savanne, vaak met dode of hoge bomen in of bij het water. Grondelt en graast naar zaden, waterplanten en ongewervelden, ook op pas overstroomd grasland en akkers. Nestelt in boomholten, soms hoog in de boom, en in oude nesten van hamerkoppen of roofvogels; mannetjes houden meerdere vrouwtjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Vooral in het noorden en oosten van het gebied: de Okavango, de Chobe, de Zambezistrook van Namibië, Zambia, Malawi, Zimbabwe, Mozambique en Angola, en het noorden en oosten van Botswana; in Zuid-Afrika in Limpopo, Mpumalanga, Noordwest en het noorden van KwaZulu-Natal, in natte zomers verder zuidwaarts. Buiten het gebied in Afrika ten zuiden van de Sahara, op Madagaskar en in Zuid- en Zuidoost-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Na de eerste zware regens, van november tot maart, op tijdelijke pannen in het lowveld, het Kruger en rond de Okavango en de Chobe. Kijk ook in dode bomen bij het water, waar groepen rusten. In de droge tijd verzamelen de vogels zich op permanente wateren en is een mannetje met volle knobbel minder vaak te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en wijdverspreid. Plaatselijk bejaagd en gevoelig voor het verdwijnen van oude bomen met holten en het droogleggen van seizoenspannen. In Zuid-Afrika wisselen de aantallen sterk met de regenval.

Wetenschappelijke naam

Sarkidiornis melanotos | (Pennant, 1769)

Pennant beschreef de soort in 1769 als Anser melanotos; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sarkidiornis werd in 1838 ingevoerd door Eyton. Sarkidiornis komt van het Griekse sarkidion, 'stukje vlees', en ornis, 'vogel' — naar de vlezige knobbel op de snavel van het mannetje. melanotos komt van het Griekse melas, 'zwart', en notos, 'rug', dus 'zwartrug', naar de glanzend zwarte bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sri Lanka.