Alle soorten › Eendachtigen › Eenden en ganzen › Spoorwiekgans

Spoorwiekgans | Plectropterus gambensis

Spur-Winged Goose | Ganso Espolonado

De spoorwiekgans is de grootste watervogel van de eendenfamilie in Afrika: een zware, hoogpotige, glanzend zwarte gans met wit in gezicht en buik en een scherpe spoor aan de vleugelboeg. Groepen grazen op overstroomde vlakten en akkers en rusten op zandbanken en in dode bomen.

Spoorwiekgans (Plectropterus gambensis)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zwak, hoog en fluitend tsjer-wiet of tsjoe-wiet, vooral in de vlucht en bij het opvliegen; bij dreiging een blazend gesis. Voor zo'n grote vogel opvallend zacht.

Luister: VluchtroepXC126343

Opname: Sander Bot — CC BY-NC-SA 3.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

75–100 cm; het mannetje is duidelijk groter dan het vrouwtje. Het verenkleed is zwart met een groene en bronzen glans; in zuidelijk Afrika (ondersoort niger) is het wit beperkt tot een kleine vlek op het gezicht, de keel en de onderbuik, verder naar het noorden is er meer wit. De snavel en de kale huid rond het oog zijn roze tot rood; het mannetje heeft een rode knobbel op het voorhoofd die met de leeftijd groeit. De poten zijn lang en roze. In de vlucht is het witte vlak op de voorvleugel goed zichtbaar; de vlucht is zwaar met trage vleugelslagen. Jonge vogels zijn bruiner, zonder knobbel en met weinig wit.

Verwarrings­soorten

De knobbeleend Sarkidiornis melanotos is kleiner, met witte kop en hals, zwarte spikkels op de kop, een witte onderzijde en een zwarte, niet rode snavel; in de vlucht zijn de vleugels geheel zwart. De nijlgans Alopochen aegyptiaca heeft een even groot wit vleugelvlak, maar is okerbruin met een donkere oogvlek.

Leefgebied

Grote rivieren, overstroomde vlakten, moerassen, pannen en stuwmeren in open landschap, met gras- en akkerland in de buurt om te grazen. Eet gras, zaden, waterplanten en in de oogsttijd graan en knollen op akkers. Nestelt op de grond in dichte vegetatie, in oude nesten van hamerkoppen of roofvogels, in boomholten en soms in termietenheuvels.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over het grootste deel van het gebied: het talrijkst in de Okavango, langs de Zambezi en de Chobe, in Zambia en Malawi, verder in Zimbabwe, Mozambique, Angola, het noorden en oosten van Botswana en in Zuid-Afrika vooral in het oosten, op het hoogveld en in de Westkaap. In Namibië vooral in het noorden. Schaars in de Karoo en het droge westen. Buiten het gebied in vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de droge tijd, van juli tot oktober, zijn ruiende groepen van honderden vogels in de Okavango en op grote dammen te zien; ze kunnen dan korte tijd niet vliegen en houden zich op open water op. Let bij een groep op de verschillen in grootte en knobbel tussen mannetjes en vrouwtjes.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en plaatselijk toenemend door de aanleg van dammen en irrigatie. Wordt bejaagd voor het vlees; bij vogels die bepaalde oliekevers eten, kan het vlees giftig zijn door de opgenomen cantharidine. Plaatselijk beschouwd als schadelijk op graanakkers.

Wetenschappelijke naam

Plectropterus gambensis | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Anas gambensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Plectropterus werd in 1824 ingevoerd door Stephens. Plectropterus komt van het Griekse plēktron, 'spoor', en pteron, 'vleugel' — naar de scherpe spoor aan de vleugelbocht. gambensis betekent 'uit Gambia', het land waar het typemateriaal vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Gambia.