Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Afrikaanse koekoekswouw
Afrikaanse koekoekswouw | Aviceda cuculoides
African Cuckoo-Hawk | Baza Africano
De Afrikaanse koekoekswouw is een middelgrote, tamelijk rustige bosroofvogel met een klein kuifje en een onderzijde die sterk aan een koekoek of een havik doet denken. Hij jaagt vanaf een verborgen zitplaats in het bladerdak op grote insecten, kameleons en hagedissen, die hij van takken en bladeren plukt.
Geluid
Meest gehoord is een luid, fluitend tiiieuw of pii-uuw, sterk dalend aan het eind, vaak herhaald vanuit het bladerdak of in de baltsvlucht. Verder een zacht, klaaglijk kiuu. Tijdens de balts in de vroege zomer hoort men de roep veel vaker dan de rest van het jaar.
Opname: Alain Verneau — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 40 cm. De volwassen vogel heeft een grijze kop, keel en borst, een donker grijsbruine rug en een klein, vaak nauwelijks zichtbaar zwart kuifje op de achterkop. De buik is wit met brede kastanjebruine dwarsbanden. Het oog is geel tot oranjegeel, de poten zijn kort en geel. De vleugels zijn lang en reiken in zit tot dicht bij het eind van de staart. Het vrouwtje heeft een bruinere borst en een geler oog. Jonge vogels zijn bruin van boven met een lichte wenkbrauwstreep en wit van onder met grote bruine druppelvlekken, en hebben een donker oog. In de vlucht vallen de lange, brede vleugels met een roodbruin gekleurde ondervleugel en drie donkere staartbanden op; de vogel vliegt licht en buizerdachtig.
Verwarringssoorten
De Afrikaanse havik (Aerospiza tachiro) heeft kortere vleugels en langere poten, een fijner gebandeerde borst en mist de grijze bef en de kuif. De hagedisbuizerd (Kaupifalco monogrammicus) heeft een witte keel met een zwarte middenstreep, een fijn gebandeerde buik en één witte staartband. De Afrikaanse koekoek (Cuculus gularis) is slanker met een spitse snavel, zwaar gebandeerde onderzijde tot aan de keel en een lange getrapte staart. De lange vleugelpunten en de brede roodbruine banden op de buik wijzen op de koekoekswouw.
Leefgebied
Oeverbos, bosranden, open miombo, kustbos en rijk bosveld, en tegenwoordig ook grote parken, tuinen en plantages van eucalyptus en den. Zit lang stil in de kroon en duikt op prooi in bladeren of op de grond: vooral sprinkhanen, rupsen, kameleons en hagedissen, soms kikkers en nestjongen. Het nest is een klein, dun platform van takken, vaak met groene bladeren bekleed, hoog in een boomvork.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Het noorden en oosten van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique en Zimbabwe, het noorden van Botswana (Okavango en Chobe) en de Zambezi-strook van Namibië, verder het oosten van Zuid-Afrika van Limpopo en Mpumalanga via Eswatini en KwaZulu-Natal tot in de Oost-Kaap. Breidt zich uit naar het hoogveld, onder andere rond Gauteng. Buiten het gebied in bosrijke streken van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië en Kenia.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het best in de vroege zomer (september–november) te vinden, wanneer de vogels hun fluitroep laten horen en boven het bos baltsen. Loop langs oeverbos of een bosrand en let op een roofvogel die geruisloos van de ene kroon naar de volgende glijdt; in zit blijkt de soort vaak verrassend tam. De grijze borst met het kuifje en de lange vleugelpunten zijn in zit de beste kenmerken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Een onopvallende soort die gemakkelijk wordt gemist en daardoor vermoedelijk vaker voorkomt dan de waarnemingen doen denken. In Zuid-Afrika breidt het areaal zich naar het westen en het binnenland uit, geholpen door aangeplante bomen in tuinen en steden; plaatselijke achteruitgang door kap van oeverbos.
Wetenschappelijke naam
Aviceda cuculoides | Swainson, 1837
Swainson beschreef de soort in 1837 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Aviceda werd in 1836 ingevoerd door Swainson. Aviceda komt van het Latijnse avis, 'vogel', en caedere, 'doden': 'vogeldoder', al eten koekoekswouwen vooral insecten en hagedissen. cuculoides betekent 'koekoekachtig', van het Latijnse cuculus, 'koekoek' — naar de gestreepte onderdelen, zoals bij een koekoek. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.


