Alle soorten › Zangvogels › Monarchen › Afrikaanse paradijsmonarch

Afrikaanse paradijsmonarch | Terpsiphone viridis

African Paradise Flycatcher | Monarca Colilargo Africano

De Afrikaanse paradijsmonarch is een kleine, rusteloze vogel met een blauwzwarte kop en een roestrode rug, maar het mannetje valt vooral op door de lange, lintvormige middelste staartpennen die bij elke sprong achter hem aan golven. Hij is een van de meest verspreide en bekendste bosvogels van het gebied, en in grote delen van het binnenland een voorbode van de zomer.

Afrikaanse paradijsmonarch (Terpsiphone viridis)
Foto: Rogerirakoze — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een raspende, scheldende zwee-zwiet of sjwee-sjwee, vaak het eerste teken van aanwezigheid. De zang is een snelle, vrolijke reeks heldere tonen, twie-tiedel-ie-tie-tie, die vooral in de broedtijd veel te horen is.

Luister: AlarmroepXC1059308

Opname: Tim Cockcroft — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

17–41 cm; het lichaam meet 17–20 cm, het mannetje in broedkleed draagt daarbij staartlinten tot ongeveer 20 cm. Kop, kuifje en keel zijn glanzend blauwzwart, met een kobaltblauwe, kale oogring en een blauwe snavel. Rug, vleugels en staart zijn warm roestrood, de borst en buik leigrijs, naar de onderstaartdekveren lichter. Het vrouwtje is doffer, met een kortere kuif, een smallere oogring en zonder verlengde staartpennen. Buiten de broedtijd verliest het mannetje vaak de linten. Een witte vorm, met witte rug en staart, is in het gebied zeldzaam en wordt vooral in het noordoosten gezien. De vogel is voortdurend in beweging en waaiert met de staart.

Verwarrings­soorten

De Kaapse kuifmonarch Trochocercus cyanomelas heeft een vergelijkbare kuif en blauwe oogring, maar is grijs van boven en wit van onderen, zonder roestrood en zonder staartlinten. In het noorden van Angola komen de roodbuikparadijsmonarch Terpsiphone rufiventer, met roestoranje onderdelen, de Gabonparadijsmonarch Terpsiphone rufocinerea, met roestrode onderstaartdekveren, en Bates' paradijsmonarch Terpsiphone batesi, met een grijze onderzijde en meestal korte staart, voor; waar ze elkaar raken komen ook mengvormen voor.

Leefgebied

Oeverbos, bosranden, open bosveld met hoge bomen, kustbos en ook tuinen, parken en plantages in steden. In droog gebied gebonden aan rivieren met hoge bomen. Jaagt vanaf een tak in het middelste en lage deel van het bladerdak op vliegende insecten. Het nestje is een klein, met spinrag bekleed kommetje op een dunne horizontale tak, vaak boven water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverspreid in Angola, Zambia, Malawi, Mozambique en Zimbabwe, in het noorden en oosten van Botswana en het noorden en noordoosten van Namibië (Kavango en Zambezi-regio). In Zuid-Afrika en Eswatini vooral in het oosten en noorden, langs de kust tot in de Oost-Kaap en langs beboste rivieren tot in de Westkaap; ontbreekt in de droge Karoo, de Kalahari en de Namib. Daarbuiten in vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara en in het zuidwesten van Arabië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best van oktober tot maart, wanneer de mannetjes hun volle staartlinten dragen en luid zingen. Let op de scheldende roep in oeverbos of een boomrijke tuin; het nest boven een beek of vijver is vaak van dichtbij te bekijken zonder de vogels te storen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen en in veel streken toegenomen door de aanplant van bomen in tuinen en steden. Er zijn geen grootschalige bedreigingen bekend.

Wetenschappelijke naam

Terpsiphone viridis | (Müller, 1776)

Müller beschreef de soort in 1776 als Muscicapa viridis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Terpsiphone werd in 1827 ingevoerd door Gloger. Terpsiphone komt van het Griekse terpsis, 'genot, vreugde', en phōnē, 'stem' — naar de aangename zang van paradijsmonarchen. viridis is Latijn voor 'groen' — naar de groenblauwe metaalglans op kop en borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.