Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Afrikaanse waterral

Afrikaanse waterral | Rallus caerulescens

African Rail | Rascón Cafre

De Afrikaanse waterral is de grote, langsnavelige ral van de rietkragen en zeggemoerassen van zuidelijk en oostelijk Afrika. Hij leeft verborgen in dichte oevervegetatie, maar stapt in de vroege ochtend geregeld even de open modder op, met de staart wippend.

Afrikaanse waterral (Rallus caerulescens)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoge, doordringende en aflopende triller, krrrii-krii-krii-kri-kri, vaak door een paar in duet en in de schemer het meest te horen. Verder scherpe, metalige kriek-roepen en een zacht knorren.

Luister: ZangXC804041

Opname: Jaap van der Waarde — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 36 cm inclusief de lange snavel. De snavel is helderrood, lang en licht gebogen; de poten zijn rood. De bovendelen zijn egaal olijfbruin zonder tekening, het gezicht, de voorhals en de borst leigrijs, met een lichte keel. De flanken en buik zijn scherp zwart-wit gebandeerd en de onderstaartdekveren wit, goed zichtbaar wanneer de korte staart omhoog wipt. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn doffer bruin met een donkere snavel, een lichte keel en vage bandering op de flanken.

Verwarrings­soorten

De Afrikaanse kwartelkoning (Crecopsis egregia) heeft ook blauwgrijze borst en gebandeerde flanken, maar een korte, dikke snavel en een gestreepte bruine rug, en leeft in grasland. Het zwart porseleinhoen (Zapornia flavirostra) is geheel zwart met een gele snavel. Het Afrikaans porseleinhoen (Aenigmatolimnas marginalis) is kleiner, bruin met lichte randen en heeft een korte groenige snavel. De lange rode snavel is bij een ral van deze grootte in het gebied kenmerkend.

Leefgebied

Dichte rietvelden, zeggemoerassen, lisdoddes en overstroomd hoog gras langs dammen, rivieren en vleien, zowel in het laagland als tot hoog in de bergen. Foerageert langs de rand van de vegetatie en op drijvende planten naar insecten, wormen, slakken, kikkers en kleine vissen. Het nest is een kom van plantenmateriaal laag in de vegetatie, vaak boven water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverspreid in het oosten en noorden van het gebied: Zuid-Afrika (vooral het oosten en het Hoogveld, plaatselijk in de West- en Zuid-Kaap), Lesotho, Eswatini, Zimbabwe, Mozambique, Malawi, Zambia, de Okavangodelta en het noorden van Botswana, de Caprivi in Namibië en Angola. Ontbreekt in het droge westen. Buiten het gebied in Oost- en Centraal-Afrika tot Ethiopië en het oosten van Congo.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best bij zonsopkomst vanuit een schuilhut of vanaf een dam met een rietkraag: de vogel stapt dan kort uit de dekking om op de modderrand te foerageren. De triller verraadt waar hij zit; blijf daarna stil wachten. Bekende plekken zijn onder andere de moerassen van het Hoogveld en rietranden in de Okavangodelta.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en plaatselijk vrij algemeen. De soort lijdt onder het droogleggen van vleien, het afbranden van rietvelden in het broedseizoen en overbeweiding van oevers, maar profiteert elders van dammen en rioolzuiveringsvijvers met een goede rietkraag.

Wetenschappelijke naam

Rallus caerulescens | Gmelin, 1789

Gmelin beschreef de soort in 1789 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Rallus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Rallus is de naam die Engelse vogelkundigen als Willughby en Albin al vóór Linnaeus voor de waterral gebruikten; de precieze herkomst van het woord is onzeker. caerulescens is Latijn voor 'blauwachtig' — naar de blauwgrijze keel en borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.