Alle soorten › Zangvogels › Wielewalen › Afrikaanse wielewaal
Afrikaanse wielewaal | Oriolus auratus
African Golden Oriole | Oropéndola Africana
De Afrikaanse wielewaal is de gele wielewaal van de miombo: een Afrikaanse trekvogel die met de eerste regens in september uit het noorden terugkeert om in het bosveld te broeden. Het mannetje is de felst gekleurde wielewaal van het gebied, bijna geheel goudgeel, met een zwarte streep door het oog als kenmerk.
Geluid
Vloeiende, fluitende frasen als wie-er-wie-oe of fie-joe-lie, helderder en gevarieerder dan bij de maskerwielewaal, en een nasale, katachtige mwèèh als roep. Zingt vooral in het broedseizoen, vaak vroeg in de ochtend.
Opname: Magnus Wadstein — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
23–24 cm. Het mannetje is helder goudgeel met een zwarte streep van de snavel door het oog tot achter het oog. De vleugels zijn zwart met brede gele randen aan de dekveren en armpennen, zodat de gesloten vleugel grotendeels geel lijkt. De staart is geel met zwart aan de basis van de middelste pennen. Snavel roodbruin tot roze, oog rood. Het vrouwtje is groener van boven en lichter geel van onderen met fijne olijfkleurige streepjes op de borst; de oogstreep is doffer. Jonge vogels zijn nog groener en duidelijker gestreept, met een donkere snavel.
Verwarringssoorten
De wielewaal Oriolus oriolus heeft bij het mannetje alleen zwarte teugels, niet een streep tot achter het oog, en veel zwartere vleugels met slechts een klein geel vlekje; vrouwtjes en jonge vogels zijn witter van onderen en sterker gestreept. De maskerwielewaal Oriolus larvatus heeft een geheel zwarte kop en keel. De gouden pieper Tmetothylacus tenellus is ook fel geel maar leeft op de grond in droge savanne.
Leefgebied
Miombo en ander breedbladig bosveld, ook oeverbos en hoge bomen langs rivieren; buiten de broedtijd ook in droger bosveld. Foerageert in het kronendak op rupsen, andere insecten en vruchten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Broedt in de miombogordel van Angola, Zambia, Malawi, het noorden en midden van Mozambique en het noorden van Zimbabwe. In de zomer ook in het noorden van Botswana, noordoostelijk Namibië (Kavango en Zambezi) en schaars in het noordoosten van Zuid-Afrika (Limpopo en het noorden van Kruger). Na het broeden trekt een groot deel noordwaarts naar Congo en Tanzania; een tweede ondersoort broedt in de savannegordel ten noorden van de evenaar, van Senegal tot Ethiopië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het best van oktober tot februari in miombo in Zambia, Malawi of Zimbabwe, bijvoorbeeld rond Harare of in Kasanka. Luister bij dageraad naar de fluitende zang en let bij een gele wielewaal op de oogstreep en de gele vleugel.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; algemeen in de miombo. Het grootschalige verlies van miombo door houtskoolproductie, landbouw en brand vormt op den duur een risico, maar de soort is nog wijdverbreid.
Wetenschappelijke naam
Oriolus auratus | Vieillot, 1817
Vieillot beschreef de soort in 1817 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Oriolus werd in 1766 ingevoerd door Linnaeus. Oriolus is middeleeuws Latijn voor de Wielewaal; de naam is klanknabootsend en weerspiegelt de melodieuze roep van de Wielewaal. auratus is Latijn voor 'verguld', naar het goudgele verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Afrika (niet nader bepaald); later beperkt tot Ghana.


