Alle soorten › Zangvogels › Afrikaanse zangers › Angolalangsnavelzanger

Angolalangsnavelzanger | Macrosphenus pulitzeri

Pulitzer's Longbill | Picolargo de Pulitzer

De Angolalangsnavelzanger is een van de gezochte endemen van het Angolese randgebergte. Deze onopvallende, grijsbruine zanger met een lange snavel leeft in dicht, droog bos en struweel op de westelijke helling van het plateau en is pas in de jaren negentig van de vorige eeuw weer met enige regelmaat gevonden.

Angolalangsnavelzanger (Macrosphenus pulitzeri)
Foto: Irene — CC0 1.0 · iNaturalist

Geluid

Een luide, heldere en snelle reeks fluittonen, die aanzwelt en weer wegzakt, en een droog, ratelend contactgeluid. De zang is vaak de enige manier om de vogel in het dichte struweel te vinden.

Luister: ZangXC687282

Opname: Derek Engelbrecht — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12 cm. Langer gestaart dan de andere langsnavelzangers, met een lange, rechte, donkere snavel. De bovendelen zijn olijfgrijs tot grijsbruin, de kop grijzer. De keel is witachtig, de borst en flanken lichtgrijs met een okerkleurige tot geelachtige waas op de flanken en de onderstaartdekveren. Het oog is lichtbruin tot roodbruin. Weinig opvallend getekend; de lange snavel en de langere staart zijn de beste kenmerken.

Verwarrings­soorten

Harterts camaroptera Camaroptera harterti, die hetzelfde struweel bewoont, heeft een kortere snavel, een groene vleugel en een geregeld opgewipte staart, en maakt een mekkerend alarmgeluid. De Kaapse krombek Sylvietta rufescens is vrijwel staartloos en leeft in open bosveld. De Angolaloofbuulbuul Phyllastrephus fulviventris is groter, olijfbruin met een roestkleurige buik en een kortere, dikkere snavel. De gele langsnavelzanger Macrosphenus flavicans van het noorden van Angola is geel van onderen en heeft een korte staart.

Leefgebied

Dicht, droog tot halfvochtig bos en struweel met veel lianen op de hellingen van het randgebergte, vooral aan bosranden en in secundaire begroeiing, meestal tussen ongeveer 700 en 1200 m. Foerageert laag tot halfhoog tussen de lianen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch voor Angola. Bekend van het westelijke randgebergte in Cuanza Sul, onder meer rond Gabela, Conda (het Kumbira-bos) en Seles, en zuidwaarts tot in het binnenland van Benguela. Nergens anders ter wereld.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond. Het Kumbira-bos bij Conda is de standaardplek op Angolareizen, samen met de andere endemen van het randgebergte. Wacht bij een lianenkluwen aan een bosrand op de luide zang en wees voorbereid op korte glimpen.

Staat van instandhouding

Bedreigd (EN). Het verspreidingsgebied is klein en versnipperd, en het bos op het randgebergte wordt gekapt voor akkerbouw, houtskool en de uitbreiding van koffieplantages zonder schaduwbomen. Geen van de bekende vindplaatsen is formeel beschermd.

Wetenschappelijke naam

Macrosphenus pulitzeri | Boulton, 1931

Boulton beschreef de soort in 1931 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Macrosphenus werd in 1859 ingevoerd door Cassin. Macrosphenus komt van het Griekse makros, 'lang', en sphēn, 'wig' — naar de lange, spits toelopende snavel. pulitzeri eert de Amerikaanse uitgever Ralph Pulitzer (1879–1939), die de expeditie naar Angola sponsorde waarop de soort werd ontdekt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Chingoroi, provincie Benguela, Angola.